Samenvatting P4 Beweging

Alle onderdelen kennen!
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
Mens & NatuurMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 23 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Alle onderdelen kennen!

Slide 1 - Tekstslide

Samenstelling botten
Bot = been

Been is opgebouwd uit:
  • Beencellen
  • Kalk → maakt botten hard en stevig, je kan het verwijderen door zoutzuur. Dan wordt het slap...

  • Lijmstof → maakt botten buigzaam, je kan het verwijderen door vuur. Dan breekt het snel...


Slide 2 - Tekstslide

Verbindingen tussen botten
  • Kraakbeenverbinding = tussen wervels, licht beweeglijk

  • Vergroeide botten = heiligbeen, geen beweging

  • Naadverbinding = schedel, vaste verbinding zonder beweging. Baby's hebben losse onderdelen om hersengroei en de bevalling makkelijker te maken

  • Gewrichten – zorgen voor beweging tussen botten (rol, scharnier & kogel)


Slide 3 - Tekstslide

Soorten gewrichten

  • Rolgewricht: onderarm → draaibeweging

  • Kogelgewricht: heup of schouder → beweging in alle richtingen

  • Scharniergewricht: knie of elleboog → beweging in één richting

Slide 4 - Tekstslide

Beweging door Skelet & Spierstelsel

Spieren zitten via pezen vast aan botten.

Bij samentrekken van spieren trekt de pees het bot → beweging.

Spieren werken in duo’s (antagonisten):
  • Beenspier buigt het been
  • hamstring strekt het been 

Spieren worden sterker en groter door eiwit.

Slide 5 - Tekstslide

Soorten spieren

  • Willekeurige spieren (dwarsgestreept): te besturen met je wil (armen, benen).

  • Onwillekeurige spieren (glad): werken automatisch (darmen, bloedvaten).

  • Hartspier: werkt continu, lijkt op beide soorten.



Slide 6 - Tekstslide

Spierpijn vs Spierkramp
Spierpijn:
  • Ontstaat na inspanning door afvalstoffen (melkzuur) en kleine scheurtjes.
  • Verdwijnt na rust en eiwitrijke voeding.

Spierkramp:
  • Plotselinge, pijnlijke samentrekking van alle spiervezels tegelijk.
  • Oorzaken: overbelasting, vochttekort, verkeerde houding.

Slide 7 - Tekstslide

Wat gebeurt er bij ademhalen?
Gaswisseling= inademen van zuurstof (O2) & uitademen van koolstofdioxide (CO2)

Inademen (O2): zuurstof komt via neus → luchtpijp → bronchiën → luchtpijptakje --> longblaasjes → bloed


Uitademen: koolstofdioxide (afvalgas) verlaat 
het lichaam vanaf het bloed naar je mond de lucht in

Slide 8 - Tekstslide

Middenrif gaat omlaag bij het inademen, er komt meer ruimte in de borstkas en het lucht wordt in de longen gezogen.

Slide 9 - Tekstslide

Gevaren van roken

Roken beschadigt de longen:
  • Trilhaartjes plakken vast door teer
  • Slechtere afvoer van slijm → rokershoest
  • Verhoogd risico op COPD en longkanker

Ook vapen zorgt ervoor dat longblaasjes kapot gaan en er minder zuurstof transport naar het bloed mogelijk is.

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Verbranding in je lichaam
  • Verbranding = energie maken in cellen (vooral in spiercellen)


  • Nodig: glucose (uit voedsel) + zuurstof (uit lucht)

  • Reactie:
Glucose + Zuurstof → Energie + Water + Koolstofdioxide

Slide 12 - Tekstslide

Omrekenen tussen m/s en km/h
Soms moet je snelheden omrekenen. Daarvoor gebruik je:
  • m/s → km/h = x 3,6
  • km/h → m/s = / 3,6


Voorbeeld:
  • 12 m/s = 12 x 3,6 = 43,2 km/h
  • 90 km/h = 90 / 3,6 = 25 m/s
Teken dit plaatje aan het begin van je toets

Vergeet geen REKENMACHINE!!!

Slide 13 - Tekstslide

Wat is snelheid?
Snelheid is de afstand die je aflegt per tijdseenheid. 

Formule:
Snelheid (v) = Afstand (s) / Tijd (t)

 
Let op: een snelheid moet altijd met een eenheid worden geschreven, zoals m/s of km/h.

Slide 14 - Tekstslide

Gemiddelde snelheid
Je berekent het zo:

Gemiddelde snelheid (vgem) = Totale afstand (s) / Totale tijd (t)
 
Voorbeeld:
Je fietst 200 m in 25 sec→ 
Gemiddelde snelheid = 200 / 25 = 8 m/s

DIT IS 8 x 3,6= 28,8 km/h


Slide 15 - Tekstslide

Zelf kunnen tekenen

Slide 16 - Tekstslide

Kunnen aflezen

Slide 17 - Tekstslide

Wat is een kracht?
Een kracht is een natuurkundige grootheid die een voorwerp van vorm, richting of van snelheid kan doen veranderen.

Het symbool voor kracht is F

Je hebt krachten nodig om te kunnen bewegen. 

Slide 18 - Tekstslide

Soorten krachten
Ken en herken deze 5 krachten

Slide 19 - Tekstslide

Sommige krachten werken mee.. anderen werken tegen..
Tegenwerkende krachten: Weerstandskrachten/Wrijvingskrachten





Dieren, mensen & Machines maken bijvoorbeeld gebruik van een gestroomlijnde vorm om zo min mogelijk last te hebben van weerstand. 

Slide 20 - Tekstslide

Krachten tekenen

  • De pijlpunt geeft de richting aan waarin de kracht werkt. Zwaartekracht werkt altijd loodrecht naar beneden

  • De lengte van de pijl geeft de grootte van de kracht aan. 

  • Het aangrijpingspunt, het beginpunt van de pijl geeft aan van waaruit de kracht werkt.

Slide 21 - Tekstslide

Nettokracht en Beweging
Nettokracht = optelsom van alle krachten op een voorwerp
  • Krachten in dezelfde richting → optellen
  • Krachten in tegengestelde richting → aftrekken

Gevolgen:
  • Nettokracht = 0 → Constante snelheid of stilstand
  • Nettokracht meer dan 0 → Versnellen
  • Nettokracht minder dan 0 (tegen) → Vertragen

Voorbeeld: Spierkracht 200 N – weerstand 150 N = nettrokracht 50 N vooruit

Slide 22 - Tekstslide

Massa, Zwaartekracht en Gewicht
Massa = Hoeveelheid stof (kg)
  • Altijd hetzelfde, ook in de ruimte. 

Zwaartekracht (Fz) = Kracht waarmee de aarde aantrekt
  • Formule: Fz = m * g (g = 9,81 m/s2)

Gewicht = De kracht die een voorwerp op een ondergrond uitoefent

In de ruimte: wel massa (die blijft hetzelfde), geen gewicht (dit veranderd)
  • Voorbeeld: Massa = 70 kg → Fz = 70 * 9,81 = 686,7 N

Slide 23 - Tekstslide