Schrijven 2 en 4 (vo 1 en 2)

Schrijven 2 en 4 (vo 1 en 2)
Leerlingen schrijven een minitijdschrift en een langere tekst. Ze leren de stappen die nodig zijn voor het schrijven van een goede tekst.
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsSecondary EducationAge 11-13

In deze les zitten 30 slides, met tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Schrijven 2 en 4 (vo 1 en 2)
Leerlingen schrijven een minitijdschrift en een langere tekst. Ze leren de stappen die nodig zijn voor het schrijven van een goede tekst.

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Thema of onderwerp

Het thema is de korts mogelijke samenvatting van een verhaal. 
Als je het verhaal in één woord moet samenvatten, noem je vaak het thema.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een hoofdgedachte?
De hoofdgedachte is het belangrijkste wat over het onderwerp wordt gezegd. 


Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoofdgedachte

De hoofdgedachte is één zin. 

De hoofdgedachte is een zin waarin staat wat de schrijver over het onderwerp wil zeggen

De hoofdgedachte kan geen vraagzin zijn. 

De hoofdgedachte vind je meestal in de inleiding of het slot van de tekst. 

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

onderwerp
In zo min mogelijk woorden (meestal 1-3) waar de tekst over gaat.

Bijvoorbeeld: de labrador

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

deelonderwerp
Welke punten over het onderwerp besproken worden

Verzorging labrador
wat eet een labrador
hoe oud wordt een labrador.

Deelonderwerpen staan in verschillende alinea's. 

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Onderwerp + deelonderwerpen
Drie alinea's in het middenstuk.

Drie deelonderwerpen in het middenstuk.
onderwerp
deelonderwerp
deelonderwerp
deelonderwerp
inleiding
slot

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een alinea opbouwen
Alinea bestaat uit:
  1. Kernzin
  2. Toelichting 
  3. Slotzin of overgangszin

Voorbeeld:
  1. Kernzin: Als je een tekst met pen moet schrijven, heeft dat voor- en nadelen.
  2. Toelichting: welke voor- en nadelen dat zijn.
  3. Slotzin: Het beste is dus om helemaal niet te schrijven. / Overgangszin: Er zijn natuurlijk nog meer manieren om je uit te drukken. 

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe schrijf je een goede tekst?

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wiesje en Flore: 
  • Les 2 (blz.93) - vragentekst
  • Huiswerk: 4 bronnen zoeken (printen of mailen)
  • Huiswerk online: les 1 spelling

Lauren, Mieke, Anne, Eva, Ema:
  • Les 2 - minitijdschrift
  • Les 3 - opdr. 4, 5 en 6
  • Huiswerk: tijdschrift afmaken en (groot)ouders interviewen
  • Huiswerk online: les 1 spelling
Laurens en Charlotte:
  • Kijk het NB filmpje
  • Lees de tekst
  • Maak de opdracht bij de tekst
  • Huiswerk: week 3 spelling van je planner.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Speeddaten
timer
4:00

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nieuwsbegrip
Laurens en Charlotte:
  1. Filmpje kijken
  2. Quiz maken
  3. Moeilijke woordenlijst invullen
  4. Tekst lezen
  5. Opdrachten maken

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Herhaling vorige les
Onderwerp
Hoofdgedachte
Deelonderwerpen 
Alinea-opbouw

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht
Vul in:
Onderwerp
Hoofdgedachte
Deelonderwerpen (Let op! Elk in een andere kleur)

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een alinea opbouwen
Alinea bestaat uit:
  1. Kernzin
  2. Toelichting 
  3. Slotzin of overgangszin

Voorbeeld:
  1. Kernzin: Als je een tekst met pen moet schrijven, heeft dat voor- en nadelen.
  2. Toelichting: welke voor- en nadelen dat zijn.
  3. Slotzin: Het beste is dus om helemaal niet te schrijven. / Overgangszin: Er zijn natuurlijk nog meer manieren om je uit te drukken. 

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht (groep 1)
Vul in per deelonderwerp:

Kernzin
Toelichting
Slotzin of overgangszin
Opdracht (groep 2)
Start met les 3 (blz.97)

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht
Schrijf op wat je weet over het verleden van jouw onderwerp. 
Gebruik de achterkant van je blad. 

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een interview

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 22 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Een interview voorbereiden
  • Je moet interviews heel goed voorbereiden
  • Je moet bedenken wat je te weten wilt komen
  • Je vraag naar feiten en naar meningen
  • Gebruik vooral open vragen --> schrijf ze op
  • Denk alvast na over mogelijke vervolgvragen

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Soorten vragen
Er zijn twee soorten vragen: gesloten en open vragen.
  1. Gesloten vragen kun je beantwoorden met een kort antwoord, zoals 'ja' of 'nee'.
  2. Open vragen geven vaak een langer antwoord en werken daarom goed om een gesprek op gang te brengen.

Slide 24 - Tekstslide

Een voorbeeld van een gesloten vraag is: “Vind jij katten leuke dieren?”
Op een open vraag kan iedereen uitgebreid antwoord geven. Bijvoorbeeld: "waarom vind jij katten leuke dieren?"

Doorvragen
Vraag om herhaling.

Vraag om meer uitleg.

Vraag om een voorbeeld.

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Letterlijk interviewverslag
Je schrijft de vragen en antwoorden letterlijk op. De vragen maak je vet en in de antwoorden laat je onbelangrijke dingen weg. 
voorbeeld: 
Opa, hoe ging u vroeger naar school? 
'We moesten gewoon lopend naar school natuurlijk, of het nu stormde, regende of sneeuwde. Er was een pad dwars door de weilanden heen. We liepen gewoon tussen de koeien. Onze schoenen zaten dus vaak onder de  stront en daarom moest ik ze dan op de gang laten staan.'

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dat doen wij nu niet.

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Samenvattend interviewverslag
Je laat de vragen weg. Antwoorden vat je samen in eigen woorden en wissel je af met citaten van de geïnterviewde persoon. 

Voorbeeld: 
Op de boerderij waar mijn opa woonde had hij geen eigen kamer zoals wij nu allemaal gewend zijn. Alle kinderen sliepen op zolder, op een zak met stro. Gelukkig heeft mijn opa geen hooikoorts. 'We hadden helemaal niks voor onszelf,' mompelt hij. 

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf je interview
Tenminste 10 vragen (let op open vragen/gesloten vragen)
Houd je (deel)onderwerp in gedachten, volg je rode draad

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wiesje en Flore: 
  • Huiswerk: (her)schrijf je tekst
  • Huiswerk online: les 2 spelling

Lauren, Mieke, Anne, Eva, Ema:
  • Huiswerk: (groot)ouders interviewen
  • Huiswerk online: les 2 spelling
Laurens en Charlotte:
  • Huiswerk: zoek de antwoorden op je vragen aan Anne-Frank.
  • Huiswerk schrift: week 4.

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies