Hoofdzin en bijzin

Hoofdzin en bijzin
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Hoofdzin en bijzin

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Ik herken hoofdzinnen en bijzinnen in een samengestelde zin.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Concept
Samengestelde zin 
= een zin die uit meerdere zinnen bestaat. Je hebt een soms een voegwoord.

Voegwoord 
= een woord wat twee zinnen samenvoegt.
en, ook, omdat, daarom

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een hoofdzin
De persoonsvorm is het eerste of tweede deel van de zin.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een bijzin
De persoonsvorm staat achteraan in de zin.
De bijzin zegt iets over de hoofdzin.

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je kan ook twee hoofdzinnen hebben!

Dave zet de fiets op slot en gaat de winkel binnen.

Hoofdzin + hoofdzin


Hoofdzin - voegwoord - Hoofdzin

Hoofdzin - en, want, maar, of - Hoofdzin

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Uitleg alle vormen van samenstellingen:
Hoofdzin + hoofdzin
1. Ik ben ziek, dus ik blijf thuis.

Hoofdzin + bijzin 
3. Ik ga naar school, hoewel ik me niet fit voel.

Bijzin + hoofdzin
4. Als ik goed leer voor mijn toets, krijg ik zeker een hoog cijfer.




Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nog meer voorbeelden

Hoofdzin + hoofdzin:

Neem je rugzak mee of pak je handtas.


Hoofdzin + bijzin:

Ik kan me niet voorstellen, dat Linda nog langer blijft.


Bijzin  + hoofdzin:

Als je nu je spullen niet pakt, dan doe ik het voor je!

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke combinaties zijn dus mogelijk?
1. Hoofdzin + Hoofdzin
2. Hoofdzin + bijzin
Bijzin + hoofdzin



Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Even oefenen
Wat is de hoofd- en bijzin in de volgende zinnen?

a. Mijn moeder hielp mij altijd met Engels, omdat ik dat erg moeilijk vond.

b. Ik moet morgen naar de tandarts, want ik heb kiespijn.

c. De man, met de rode zonnebril, liep snel de winkel uit. 

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoofdzin of bijzin?
Ik vind het raar dat je ineens ver weg woont.

.....dat je ineens ver weg woont.
A
Hoofdzin
B
Bijzin

Slide 11 - Quizvraag

Het onderwerp (ik) staat niet naast de persoonsvorm (kan).
Hoofdzin of bijzin?
We hopen allebei dat je snel een kaartje stuurt.

We hopen allebei....
A
Hoofdzin
B
Bijzin

Slide 12 - Quizvraag

Het onderwerp (ik) staat niet naast de persoonsvorm (kan).
Hoofdzin of bijzin?
Ze hebben een gewoonte waar ik erg aan moet wennen.
.....waar ik erg aan moet wennen.
A
Hoofdzin
B
Bijzin

Slide 13 - Quizvraag

Het onderwerp (ik) staat naast de persoonsvorm (ga).
Hoofdzin of bijzin?
Ze kijken je heel afkeuren aan als je te lang blijft.

... als je te lang blijft.
A
Hoofdzin
B
Bijzin

Slide 14 - Quizvraag

Het onderwerp (ik) staat niet naast de persoonsvorm (kan).
Hoofdzin of bijzin?

Dat doe ik altijd, omdat ik dat nu eenmaal doe.
A
Hoofdzin + bijzin
B
Bijzin + hoofdzin
C
Hoofdzin + hoofdzin
D
Bijzin + bijzin

Slide 15 - Quizvraag

Het onderwerp (het) staat naast de persoonsvorm (heeft).
Hoofdzin of bijzin?

Ik ben net thuis als plotseling mijn broer de deur opendoet.
A
Hoofdzin + bijzin
B
Bijzin + hoofdzin
C
Hoofdzin + hoofdzin
D
Bijzin + bijzin

Slide 16 - Quizvraag

Het onderwerp (het) staat naast de persoonsvorm (heeft).
Ik kan de hoofdzin en bijzin uit de samengestelde zin halen.
Ik ben het net aan het leren
Ik oefen het
Ik kan het bijna
Ik kan het

Slide 17 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Keuze
Extra blad om te oefenen
of
Taakwerk

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies