Woordvolgorde
Leerdoel:
Aan het einde van de les begrijp je de woordvolgorde in de Nederlandse zin
Aan het einde van de les begrijp je de woordvolgorde bij een vraagzin.
Woordvolgorde
Leerdoel:
Aan het einde van de les begrijp je de woordvolgorde in de Nederlandse zin
Aan het einde van de les begrijp je de woordvolgorde bij een vraagzin.
Wat weet je al over de woordvolgorde in de Nederlandse zin?
Waar bestaat een zin uit?
1. onderwerp (ik, jij, hij of zij, u, wij, jullie, zij)
2. werkwoord (lopen, slapen, spelen, leren, betalen...)
3. de rest van de zin
Onderwerp
Wie of Wat?
Het onderwerp staat vooraan in de zin
Mohammed, Piet, de hond, de leraar, de mensen, de politie, etc.
Mohammed speelt altijd gitaar.
Werkwoord
Het werkwoord is het doe-woord in de zin. Het geeft aan wat er gebeurt of wat de persoon of het ding doet.
Een werkwoord:
1. is een doe-woord
2. eindigt vaak op -en
3. verandert als het onderwerp verandert
Rest van de zin
Waar, hoe, wanneer of met wie gebeurt het?
Bijvoorbeeld:
Mohammed voetbalt zaterdags bij blauw-zwart.
Mijn moeder kookt elke avond in het restaurant.
Mijn moeder kookt vanavond thuis.
De woordvolgorde in een zin
Langere zinnen maken
Hoofdzinnen in het Nederlands.
Ik ga zaterdag sporten.
Hij gaat zaterdag sporten.
Ziad wil koffie drinken.
Floor kan heel goed voetballen.
Een hoofdzin kennen we al:
Het werkwoord staat hierin altijd op de tweede plaats:
1 2 3
Hij sport op zaterdag
Ik fiets naar school
Jij zit in de tuin
Je kunt ook zinnen maken met 2 werkwoorden
1 wie/wat 2a 1e werkwoord 3 rest 2b 2e werkwoord
Ik ga zaterdag sporten.
Hij gaat dinsdag tennissen.
Wij gaan zondag voetballen.
Jan wil rijst eten
Maak een
zin met twee
werk-woorden
wie/ werkwoord tijd wie/ plaats
wat wat
Ik oefen zaterdag mijn dictee in Roosendaal.
Hij doet vandaag een brief in de bus.
Wij maken zondag een taart bij jou thui
Dus...
1. Wie? Ik/jij/de/de jongen/de klas/jullie/wij.....
2. Doet? Gaat/speel/pakken/slapen/lopen (het werkwoord)
3. Wanneer? Morgen/vandaag/elke dag/'s morgens
4. Wat? huiswerk/ mijn lunch/ de fiets
5. Waar? Naar school/in bed/op straat/naar gym
Wat is goed?
Meisje het eet een appel.
Het meisje zij eet een appel.
Het meisje eet een appel.
Eet een appel het meisje
Wat is goed?
Ik eet soep in de keuken.
Eet in de keuken soep ik.
In de keuken ik eet soep.
Soep ik eet in de keuken.
Wat is goed?
Hij zijn haar wast.
Hij wast zijn haar
Haar wast hij zijn.
Haar wast zijn hij.
Zet in de goede volgorde: Voorschoten-in-Moniek-speelt-hockey
Wat is een goede zin?
Yordan gaat morgen naar de film.
Naar de film morgen gaat Yordan.
Yordan morgen gaat naar de film.
Gaat morgen naar de film Yordan.
Wat is een goede zin?
Een verhaal schrijft hij op school.
Op school hij schrijft een verhaal.
Hij schrijft een verhaal op school.
Wat is een goede zin?
Elke dag Nader leest een boek.
Nader leest elke dag een boek.
Een boek Nader leest elke dag.
Wat is een goede zin?
Op het bord de juf schrijft een woord.
De juf op het bord schrijft een woord.
De juf schrijft een woord op het bord.
Maak de goede zin: elke dag-Gedion-patat-eet
Maak een goede zin: morgen-Marin-gaat-naar de bibliotheek.
Maak de zin: gooit-de bal- Sylvia- naar Aylyan
Maak nu zelf een goede zin.
Vragende zinnen
Vragende zinnen beginnen met een vraagwoord en hebben vaak een omgekeerde woordvolgorde in vergelijking met bevestigende zinnen.
Welke vraagwoorden zijn er?
vraagwoorden
De woordvolgorde bij een vraagzin met een vraagwoord
De woordvolgorde bij een vraagzin
Oefeningen
Laten we nu oefenen met het maken van zinnen met de juiste woordvolgorde en vragende zinnen.
Wat is goed?
Je mee gaat naar zee?
Je naar zee gaat mee?
Naar zee ga je mee?
Ga je mee naar zee?
Zet in de goed volgorde: jij -december- in- vakantie -Heb?
Maak een zin en een vraag met het woord 'ik'
Wie - werkwoord - wanneer - wat - waar - (2e werkwoord).
of
Wanneer - werkwoord - wie - wat - waar - (2e werkwoord).
Maak een zin en een vraag met het 'om 9 uur'
Wie - werkwoord - wanneer - wat - waar - (2e werkwoord).
of
Wanneer - werkwoord - wie - wat - waar - (2e werkwoord).
Maak een zin en een vraag met 'de leerlingen'
Wie - werkwoord - wanneer - wat - waar - (2e werkwoord).
of
Wanneer - werkwoord - wie - wat - waar - (2e werkwoord).
Maak nu zelf een aantal zinnen en vraagzinnen