Les 5. Voedersoorten

Les 5. Voedersoorten

1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
DierverzorgingMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 1

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Les 5. Voedersoorten

Slide 1 - Tekstslide

Terugblik:
Welke groep zorgt ervoor dat je lichaam kan verbranden om te bewegen?
A
Beschermende stoffen
B
Bouwstoffen
C
Energierijke stoffen

Slide 2 - Quizvraag

Welke groep zorgt ervoor dat je lichaam kan groeien?
A
Beschermende stoffen
B
Bouwstoffen
C
Energierijke stoffen

Slide 3 - Quizvraag

Welk groep zorgt voor een gezond lichaam?
A
Beschermende stoffen
B
Bouwstoffen
C
Energierijke stoffen

Slide 4 - Quizvraag

Als de ribben niet zichtbaar en te voelen zijn door een dikke vetlaag, wat is het dier dan?
A
Te mager
B
Normaal
C
Te dik

Slide 5 - Quizvraag

Leerdoelen
  • Je kan uitleggen wat ruwvoer is.
  • Je kunt uitleggen wat krachtvoer is. 
  • Je kan uitleggen wat samengesteld voer is.
  • (Je kan samenwerken in een groepje)
  • (Je kan na de opdracht alle spullen 
    netjes opruimen.)

Slide 6 - Tekstslide

Eetpatronen
Als je een dier gaat voeren kijk je naar het eetpatroon van de dieren. 
Herbivoren eten de hele dag door planten. Dit moeten ze doen, omdat er in planten weinig voedingstoffen zitten. 
Carnivoren vangen een prooi en eten hier snel van. In vlees zitten veel voedingstoffen en hoeven ze dus minder te eten. Daarna hebben ze heel de dag de tijd om uit te rusten.
Dieren hebben zich aangepast aan hun eten in het wild. Hier moet je met voeren rekening mee houden.  

Slide 7 - Tekstslide

Herbivoren
  • Planten zijn moeilijk te verteren -> ruwe celstof in een plant
  • De darmen zijn heel erg lang, zo kunnen ze zo veel mogelijk voedingstoffen uit het eten halen -> dikke buik 
  • Weinig voeren -> darmen werken langzamer of stoppen -> verstopping
  • Hierdoor kan een dier koliek (buikpijn voor verstopping) krijgen. Voor paarden is dat zelfs dodelijk.  
  • Voorkom dit en voer en zorg dat deze dieren heel de dag kunnen eten. 
  • Hooi bevat weinig voedingstoffen -> veel eten zonder dik te worden. 


Slide 8 - Tekstslide

Carnivoren
  • Eten vlees van andere dieren.
  • In vlees zit heel veel energie en voedingstoffen. Daarom hoeft het minder te eten dan herbivoren. 
  • De darmen van deze dieren zijn korter dan de dieren die planten eten
  • Vlees is makkelijker te verteren -> geen ruwe celstof
  • Carnivoren voer je vaak een of twee keer
    per dag met brokken of vlees. 

Slide 9 - Tekstslide

Waar of niet waar.
Herbivoren hebben kortere darmen
A
Waar
B
Niet waar

Slide 10 - Quizvraag

Waar of niet waar.
Carnivoren eten minder dan een herbivoor.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 11 - Quizvraag

Waar of niet waar.
Koliek is dodelijk voor dieren
A
Waar
B
Niet waar

Slide 12 - Quizvraag

Slide 13 - Video

Ruwvoer 
  • Ruwvoer is voer dat weinig tot niet is bewerkt. Voorbeelden zijn: gras, hooi, stro en luzerne. 
  • Deze voerders worden van het land gehaald. Ze worden versnipperd of gedroogd en daarna opgeslagen. 
  • Ruwvoer bestaat uit maar 1 grondstof -> enkelvoudig voedermiddel

Slide 14 - Tekstslide

Krachtvoer
  • Veel voedermiddelen gaan naar de fabriek om er brokken van te maken.
  • Hier worden verschillende voedingstoffen bij elkaar gedaan en geperst tot brokken. Dit zot vol met energie en eiwitten. Deze brokjes worden ook wel krachtvoer genoemd. 
  • Krachtvoer bestaat uit verschillende grondstoffen, dit wordt een samengesteld voedermiddel genoemd. 

Slide 15 - Tekstslide

Voeg hieronder een afbeelding toe van een enkelvoudig voedermiddel.

Slide 16 - Open vraag

Voeg hieronder een afbeelding toe van een meervoudig voedermiddel.

Slide 17 - Open vraag

Enkelvoudig ruwvoer
Enkelvoudig krachtvoer
Meervoudig ruwvoer
Meervoudig krachtvoer

Slide 18 - Sleepvraag

Ik kan ...
  • ... uitleggen wat ruwvoer is.
  • ... uitleggen wat krachtvoer is. 
  • ... uitleggen wat samengesteld voer is.
  • (... samenwerken in een groepje)
  • (... na de opdracht alle spullen 
    netjes opruimen.)

Slide 19 - Tekstslide

Wat is je het meest bijgebleven deze les? En waarom?

Slide 20 - Open vraag

Aan de slag!
- Lees de opdracht 1 t/m 7
- Maak opdracht 1 t/m 7
- Gebruik voor opdracht 5 het gegeven Word-document. 

Slide 21 - Tekstslide