Tweede klassen verben -d/-t

Herzlich Willkommen!
- Jacke?
- Handy?
- Arbeitsbuch?
- Heft?
- Kugelschreiber?
timer
2:30
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvmbo, mavo, havoLeerjaar 2

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Herzlich Willkommen!
- Jacke?
- Handy?
- Arbeitsbuch?
- Heft?
- Kugelschreiber?
timer
2:30

Slide 1 - Tekstslide

Was machen wir heute?
  • Lernziel: Ik kan de werkwoorden waarvan de stam eindigt op een D / T vervoegen met een extra E

TIP: Maak aantekeningen

Slide 2 - Tekstslide

EST TENTEN
ich                       wohne                     heiße
du                        wohnst                   heißt
er/sie/es           wohnt                     heißt
wir                      wohnen                   heißen
ihr                       wohnt                      heißt
Sie/sie              wohnen                  heißen

Slide 3 - Tekstslide

(reden): Wat is goed?
A
ich rede/ du redest/er redet
B
ich rede/ du redst/er redt

Slide 4 - Quizvraag

Wat is de stam van kommen?

Slide 5 - Open vraag

De stam van tanzen is
A
tanz
B
tanze
C
tans
D
tanzs

Slide 6 - Quizvraag

ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
red
red
red
red
red
red
e
est
et
en
et
en
Als de stam eindigt op een D /T
dan komt er een extra E
du, er/sie/es, ihr

Slide 7 - Tekstslide

arbeiten

ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
Als de stam eindigt op een D /T
dan komt er een extra E
du, er/sie/es, ihr

Slide 8 - Tekstslide

arbeiten

ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
arbeite
arbeitest
arbeitet
arbeiten
arbeitet
arbeiten
Als de stam eindigt op een D /T
dan komt er een extra E
du, er/sie/es, ihr

Slide 9 - Tekstslide

(arbeiten): Lena ..... am Montag.
A
arbeite
B
arbeitest
C
arbeitet

Slide 10 - Quizvraag

(finden): Er ... Cola lecker.
A
finde
B
findest
C
findet

Slide 11 - Quizvraag

(antworten): Warum ... du nicht?

Slide 12 - Open vraag

jullie paardrijden (reiten)
A
ihr reiten
B
ihr reitst
C
ihr reitet
D
ihr reite

Slide 13 - Quizvraag

zij praten (reden)
A
sie redet
B
sie reden
C
sie redst
D
sie redet

Slide 14 - Quizvraag

wij werken (arbeiten)
A
wir arbeiten
B
wir arbeitest
C
wir arbeitet
D
wir arbeite

Slide 15 - Quizvraag

hij werkt (arbeiten)
A
er arbeitet
B
er arbeiten
C
er arbeite
D
er arbeitest

Slide 16 - Quizvraag

Wat vind je nog lastig aan het vervoegen van werkwoorden?

Slide 17 - Open vraag

Arbeitsbuch 

Seite einundachtzig
lesen Grammatik C
machen Aufgabe 7, 8

Seite vierundachtzig
machen Aufgabe 1, 2, 3

Fertig? lernen Lernbox 4 und 5

Slide 18 - Tekstslide