S4 - Les 18: Regionale taalvariatie

Les 18: Regionale taalvariatie
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsSecundair onderwijs

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 100 min

Onderdelen in deze les

Les 18: Regionale taalvariatie

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we hierover leren?
  • Register
  • Dialect
  • Regiolect
  • Tussentaal
  • Accent
  • Standaardtaal 

Slide 2 - Tekstslide

1. Taalregister
p. 198 (4) /229 (4XL)

Slide 3 - Tekstslide

1. Taalregister
p. 198 (4) /229 (4XL)

Slide 4 - Tekstslide

1. Taalregister
p. 198 (4) /229 (4XL)

Slide 5 - Tekstslide

1. Taalregister

Slide 6 - Tekstslide

2. Taal verandert
p. 200/ 231: Fragment over het Utrechts dialect
- Wie komt aan het woord?
- Wat is de centrale vraag?
- Wat is de hoofdgedachte?
- Welke argumenten worden hiervoor gegeven?

Slide 7 - Tekstslide

2. Taal verandert
p. 200/ 231: Fragment over het Utrechts dialect
- Spraken de Nederlanders oorspronkelijk dialect of Algemeen Nederlands?
- Waarom ontstond het Nederlands?
- Welke spreker is het meest optimistisch over het voorbestaan van het Utrechts?
- Is de situatie in Vlaanderen anders of niet?
- Verschil taal, dialect, accent?
-> Lees tekst op p. 201/232

Slide 8 - Tekstslide

2. Taal verandert
- Verschil taal, dialect, accent?
1. Taal
= Een volledig systeem met eigen grammatica, woordenschat en regels. Mensen kunnen er volledig mee communiceren, schrijven, lezen, enz. Bijvoorbeeld: Nederlands, Frans.

2. Dialect
= Een variant van een taal die typisch gebonden is aan een regio. Het heeft vaak eigen woorden, uitspraak én soms zelfs grammatica. Bijvoorbeeld: West-Vlaams of Limburgs.
Mensen die verschillende dialecten spreken, begrijpen elkaar soms moeilijker, maar ze behoren meestal nog tot dezelfde “taal”.

3. Accent
Een accent gaat alleen over hoe je een taal uitspreekt, niet over andere woorden of grammatica.
Bijvoorbeeld: iemand kan Standaardnederlands spreken, maar met een Antwerps of Nederlands (NL) accent. De woorden en zinnen blijven hetzelfde, alleen de klank verschilt.

Slide 9 - Tekstslide

2. Taal verandert
P. 202/233

Slide 10 - Tekstslide

2. Taal verandert
P. 202/233

Slide 11 - Tekstslide

3. Taalgebruik in Vlaanderen
P. 203/234

Slide 12 - Tekstslide

Dialectenquiz: olsan
A
altijd
B
overal
C
samen
D
allemaal

Slide 13 - Quizvraag

dialectquiz: stutn
A
opgraven
B
boterhammen
C
iets opsturen
D
boomhutten

Slide 14 - Quizvraag

dialectquiz: apsjaar
A
een rare snuiter
B
een afzetter
C
een Antwerpenaar van binnen de Leien
D
een sigaar

Slide 15 - Quizvraag

dialectquiz: een blaffetuur
A
een hond
B
een stout kind
C
een rolluik
D
een uurwerk

Slide 16 - Quizvraag

Dialectquiz: een poeneke
A
iemand rijk
B
een pompoen
C
een zoen
D
een katje

Slide 17 - Quizvraag

dialectquiz: een fiston
A
een zoon
B
een vest
C
een vuist
D
een achterneef

Slide 18 - Quizvraag