Les 47 TIB, woensdag 14 januari

Taal in de buurt, woensdag 14 januari
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2HBOStudiejaar 1

In deze les zitten 17 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Taal in de buurt, woensdag 14 januari

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Planning
-   - Lesdoelen
- subjectvormen en objectvormen van het personaal pronomen en dingen
- Gatentekst Nederlands liedje
- Schrijfopdracht over kleding 
- Opdrachten maken uit het boek








Slide 2 - Tekstslide

Wat gaan we doen vandaag?

Lesdoelen
Je kan subject- en objectvormen van persoonlijke voornaamwoorden herkennen en correct gebruiken.

Luisteren naar een Nederlands lied en ontbrekende woorden in een gatentekst invullen.

Je kan een korte tekst schrijven over kleding - zelfstandig

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grammar table 7.9, p. 105.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een subjectvorm is de vorm van een persoonlijk voornaamwoord die je gebruikt voor het subject van de zin.
Het subject is de doener van de actie.

Kort: 
De subjectvorm = de persoon die iets doet in de zin. 

Stel de vraag: wie doet iets?

Voorbeeld:
Ik bel haar.
Jij helpt ons.
A subject form is the form of a personal pronoun that you use for the subject of the sentence.
The subject is the doer of the action.

In short:
The subject form = the person who does something in the sentence. 

Ask the question: Who does something?

Example:
I call her.
You help us.

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een objectvorm is een vorm van een persoonlijk voornaamwoord die je gebruikt voor de persoon die iets krijgt, waar iets mee gebeurt, of waarover gesproken wordt.

Kort:
Het object = niet de doener, maar de ontvanger van de actie.

Stel de vraag: wie krijgt iets? met wie gebeurt iets?

Voorbeeld:
Kan ik jullie helpen?
Waar kan ik ze passen?
An object form is a form of a personal pronoun that you use for the person who receives something, undergoes something, or is being talked about.

In short:
The object = not the doer, but the receiver of the action.

Ask the question: who is receiving/undergoing something?

Voorbeeld:
Can I help you?
Where can I try them on? 

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

- Nu maken we samen opdracht 11, blz. 106

- Maak nu zelfstandig de volgende opdracht: 

https://portal.coutinho.nl/nederlandsingang3en/study-material/chapters/chapter-7/79-objectvorm-personaal-pronomen/opdracht-grammatica-personaal-pronomen.html

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

PAUZE! (15 minuten)

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Schrijfopdracht
Maak opdracht 13, blz. 107 (schrijven over je kleding).

Je mag woorden opzoeken, geen hele zinnen in bijvoorbeeld Chatgpt of Google translate. Gebruik wat je tot nu toe hebt geleerd, zoals de woordenlijst van hoofdstuk 7.

Klaar? Stuur mij een foto in Whatsapp en ga naar blz. 108 en 109 van je boek:
Maak de opdrachten 'cultuur' 'in de praktijk', 'eigen vocabulaire', 'reflectie' en 'verdiepingsmateriaal' op www. coutinho.nl/nederlandsingang3




Slide 11 - Tekstslide

-Wat heb je gezien? Probeer in het Nederlands te vertellen

-Schrijf kernwoorden op bord: bruiloft – zenuwachtig – blij – spannend – ontmoeting – lachen – stilte.


Voortgangsrapportages tekenen

Extra: leesopdracht

20:45-21:00 Tijd voor vragen. Geen vragen? Dan kan je naar huis. Vergeet niet te tekenen! - presentielijst ligt op mijn bureau.

Slide 12 - Tekstslide

Samen het hele werkblad helemaal doornemen.

Leestekst zonder telefoon - daarna proberen telefoon alleen erbij te pakken als je er echt niet uitkomt

Steeds rondes doen om cursisten te ondersteunen
Presentielijst 

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welk nieuw woord heb je geleerd?

Slide 14 - Tekstslide

uitvragen en op het bord schrijven


3. Na preposities (met, voor, aan, naar, bij)

Ik ga met haar mee.
Dit cadeau is voor jou.
Het is aan hem gegeven.


Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

2. Na werkwoorden van geven/krijgen

Hij geeft mij een boek.
Zij stuurt ons een bericht.

mij, ons zijn objectvormen (ontvangers)

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je gebruikt de objectvorm vooral: 
 1. Na werkwoorden van zien/kennen/horen etc.

Ik zie hem.
Hij hoort mij.
Wij kennen haar.

Je gebruikt hier hem, mij, haar > objectvormen.

✔️ 2. Na werkwoorden van geven/krijgen

Hij geeft mij een boek.
Zij stuurt ons een bericht.

mij, ons zijn objecten = ontvangers.

✔️ 3. Na voorzetsels (met, voor, aan, naar, bij, etc.)

Ik ga met haar mee.
Dit cadeau is voor jou.
Het is aan hem gegeven.

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies