Samenvatting hoofdstuk 3

Samenvatting hoofdstuk 3 
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Samenvatting hoofdstuk 3 

Slide 1 - Tekstslide

3.1 Soorten geld
Chartaal



Giraal 
3.1 Geldfuncties

Ruilmiddel -> betalen (is dit directe of indirecte ruil?)

Rekenmiddel -> prijs op product

Spaarmiddel - Sparen 

Slide 2 - Tekstslide

3.1 Betaalvormen

1. Contant

2. Electronisch 
a. Pinpas
b. Internetbankieren
3.1 Saldocontrole 
Saldo = hoeveelheid geld op rekening
Positief of negatief 

Slide 3 - Tekstslide

3.2 Sparen
3.2 Spaarmotieven 

1. Sparen voor een doel

2. Sparen uit voorzorg
(een buffer opbouwen) 

3. Sparen voor de rente 

Slide 4 - Tekstslide

3.2 Rente 
- Rente is een vergoeding van de bank

- Hoe langer je geld vast staat, hoe hoger de rente 

- De rente wordt per jaar berekent -> dus 2% rente over 100 euro
is 2:100x100= 2 euro per jaar 

Slide 5 - Tekstslide

3.2 Rente  jaren

1 jaar= Rentepercentage:100x bedrag x1 
2 jaar= Rentepercentage:100x bedrag x2 

Dus je hebt 3.000 euro op je spaarrekening. Je ontvang 3,5% rente. Hoeveel rente krijg je over 4 jaar? 
3.2 Rente Maanden

Stap 1: Reken voor een jaar uit 
Rentepercentage:100x bedrag x1 
Stap 2: Deel uitkomst stap 1 door 12 
Stap 3: Doe dit aantal keer het aantal maanden 
Dus je hebt 3.000 euro op je spaarrekening. Je ontvang 3,5% rente. Hoeveel rente krijg je over 5 maanden? 

Slide 6 - Tekstslide

3.3 Leenmotieven

1. Tijdelijk geld te kort

2. Je wilt een grote aankoop doen

3. Je hebt dringend geld nodig 
3.3 Leenvormen

1. Persoonlijke lening: Je leent een bedrag en betaalt het in vaste termijnen terug. 
2. Doorlopend krediet: Je mag tot een max afgesproken bedrag lenen.
3. Salaris krediet : rood staan op bankrekening

Slide 7 - Tekstslide

3.3 Koop op afbetaling

Je betaalt in termijnen, maar het product is na de eerste betaling al van jou. 
3.3 Kredietkosten

Je betaalt je lening terug + krediet kosten (rente en andere kosten)

Berekenen:
(aantal termijnen x termijnbedrag) - lening = kredietkosten 

Slide 8 - Tekstslide

3.4  Verzekeren

Bij een verzekering betaalt de verzekeraar de schade die de verzekerde oploopt. 
Dit geldt alleen voor schade die NIET met op zet is ontstaan. 
3.4  Polis en premie 

Polis= De voorwaarden van de verzekering, deze krijg je bij afsluiting-> de dekking

Premie= het bedrag dat je per maand betaalt aan de verzekeraar. 

Slide 9 - Tekstslide

Hoe bepaal je welke premie je betaalt? 


Slide 10 - Tekstslide

3.4 Verzekeringskosten

jaar 1 (jaar 2 en verder): 
Premie
(+ Poliskosten)
= totaal
+21% assurantiebelasting
= Verzekeringskosten 


3.4  WA verzekering 

Voor scooters, motoren en auto's.
Wettelijk verplicht 
Hoe zwaarder je auto hoe hoger de premie

Slide 11 - Tekstslide

Opdracht
Wat: Welke paragraaf vond je het meest lastig? Maak de extra opdrachten uit je boek van die paragraaf! (p.88) 
Hoe: Zelfstandig in stilte
Tijd: 10 min
Klaar? Ga verder met de andere paragrafen
Uitkomst: Antwoord model komt op SOM
timer
10:00

Slide 12 - Tekstslide

Wat is chartaal geld?
A
B

Slide 13 - Quizvraag

Is pinnen Giraal of Chartaal
A
Chartaal
B
Giraal
C
Beide
D
Geen van beide

Slide 14 - Quizvraag

Welk antwoord is geen geldfunctie?
A
Rekenmiddel
B
Machtsmiddel
C
Ruilmiddel
D
Spaarmiddel

Slide 15 - Quizvraag

Wat voor soort ruil zie je hiernaast?
A
Directe ruil
B
Indirecte ruil
C
Girale ruil
D
Chartale ruil

Slide 16 - Quizvraag

Wat voor soort ruil zie je hiernaast?
A
Directe ruil
B
Indirecte ruil
C
Koopruil
D
Inflatie

Slide 17 - Quizvraag

Welke spaarmotieven waren er ook al weer?
A
Sparen voor een doel
B
Sparen uit voorzorg
C
Sparen voor rente
D
Alle antwoorden zijn correct

Slide 18 - Quizvraag

Wat is geen doel van sparen?
A
sparen voor een doel
B
sparen voor de zekerheid
C
sparen voor een huis
D
sparen voor vermogensopbouw

Slide 19 - Quizvraag

Er is sprake
van:
A
sparen voor rente
B
sparen uit voorzorg
C
sparen voor een doel

Slide 20 - Quizvraag

Je spaart omdat je er geld mee wil verdienen. Welk spaarmotief past bij de omschrijving?
A
Sparen voor een doel
B
Sparen voor rente
C
Sparen uit voorzorg

Slide 21 - Quizvraag

Dus:  De 3 leenvormen zijn:
  • Persoonlijke lening.
  • Doorlopend krediet.
  • Salaris krediet. 

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Video

Kredietkosten
kredietkosten




Slide 24 - Tekstslide

Je wilt een huis kopen. Welke lening gebruik je hiervoor?
A
hypothecaire lening
B
doorlopend krediet
C
persoonlijke lening
D
consumptief krediet

Slide 25 - Quizvraag

Wat is géén vorm van consumptief krediet?
Leerdoel 19
A
Hypotheek
B
Salariskrediet
C
Persoonlijke lening
D
Doorlopend krediet

Slide 26 - Quizvraag

Het schriftelijke bewijs van een verzekering.
A
polis
B
overdrachtsinkomen
C
financiering

Slide 27 - Quizvraag

Waar betaal je assurantiebelasting over?
A
Alleen over de premie.
B
Alleen over de polis.
C
Over de premie en de polis.
D
Wat is assurantiebelasting?

Slide 28 - Quizvraag

De verzekeringsmaatschappij is de
A
verzekerde
B
verzekeraar

Slide 29 - Quizvraag

Jijzelf bent de verzekeraar/verzekerde.
A
Verzekeraar
B
Verzekerde

Slide 30 - Quizvraag

Wat zijn kredietkosten?
A
Rente
B
Afsluitkosten e.d.
C
Rente + Afsluitkosten e.d.

Slide 31 - Quizvraag