3H blok 4 functiewoorden II & tekststructuren II

Leesvaardigheid 3H
Blok 4
functies van alinea's (functiewoorden) II
tekststructuren deel II

1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Leesvaardigheid 3H
Blok 4
functies van alinea's (functiewoorden) II
tekststructuren deel II

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tekststructuren II (blz. 174)

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voordelen-en-nadelenstructuur
beschrijving van een probleem, verschijnsel of een ontwikkeling met positieve en negatieve kanten
overzicht van voor- en nadelen van het probleem, verschijnsel of ontwikkeling
een conclusie of een samenvatting

Slide 3 - Tekstslide

Bij de voordelen-en-nadelenstructuur wordt in de  inleiding een verschijnsel beschreven met duidelijke 
voor- en nadelen. In het middenstuk worden dan  bijvoorbeeld eerst alle voordelen en daarna alle 
nadelen behandeld en in het slotgedeelte vind je  dan een conclusie of een samenvatting. 
De hoofdvraag is: wat zijn de voor- en nadelen? 
Gaat de schrijver niet verder dan deze beschrijving, maakt hij zelf geen keuze of afweging,  dan heb je te maken met een uiteenzetting of een beschouwing
Als de schrijver duidelijk een keuze maakt, de voor- en de nadelen tegen elkaar afweegt en  een conclusie trekt, dan is er sprake van een betoog.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

bewering-en-argumentenstructuur
een bewering/standpunt wordt genoemd
opsomming van argumenten en weerlegging mogelijke tegenargumenten
een conclusie met terugverwijzing naar de inleiding

Slide 5 - Tekstslide

Bij de bewering-en-argumentstructuur doet de schrijver in de inleiding een bewering.
In het middenstuk geeft hij hiervoor allerlei argumenten. In het slot trekt hij een conclusie die natuurlijk terugverwijst naar de bewering.
De hoofdvraag is: waarom is ... waar?
Een tekst met een bewering-en-argumentstructuur is altijd een betoog.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Functies van tekstgedeelten/alinea's
Functiewoorden deel II

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

  • Als je weet wat de functie van een tekstgedeelte is, begrijp je de tekst beter. 
  • Vaak worden functiewoorden niet gegeven en moet je zelf de functie van een tekstdeel bepalen. 
  • Signaalwoorden helpen je.
  • Voorbeelden van functiewoorden: aanleiding, voorbeeld, anekdote, argument, constatering, definitie, gevolg, oplossing en verklaring.

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Neem deze bladzijde uit het boek voor je (blz. 173)
Leer dit uit het hoofd!

Slide 10 - Tekstslide

Deze functies komen vaak voor in teksten met de tekststructuren voordelen-en-nadelenstructuur en bewering-en-argumentenstructuur.
Wat is de juiste omschrijving bij het functiewoord?
tegenwerping
argument
afweging
advies
conclusie
bewering
ontkenning
argumentatie
nuancering
weerlegging
een stelling die de schrijver moet onderbouwen
De schrijver geeft te bewering weer en geeft aan dat hij het er niet mee eens is
de schrijver geeft meerdere argumenten
een bewering wordt iets afgezwakt door te laten zien dat er meer gezichtspunten zijn
Met tegenargumenten aantonen dat de argumentatie van de ander niet juist is
De schrijver maakt bezwaar tegen een eerdere argumentatie
reden waarom iemand iets vindt
voor- en nadele of mogelijke oplossingen worden tegen elkaar afgewogen
De schrijver geeft, meestal aan het eind, een goede raad of advies.
De schrijver komt tot een gevolgtrekking

Slide 11 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de juiste omschrijving bij het functiewoord?
stelling
oproep
aanbeveling
samenvatting
conclusie
aanleiding
definitie
voorbeeld
constatering
uitwerking
reden om nu een tekst te schrijven over het onderwerp
omschrijving van wat er met een bepaald verschijnsel wordt bedoeld
beschrijving van één concreet geval
er wordt een verschijnsel/ontwikkeling vastgesteld
er wordt extra informatie gegeven over het onderwerp
Iemand doet een bewering over het onderwerp (niet feitelijk)
de schrijver vraagt de lezer iets te doen
goedbedoelde raad
beknopte navertelling
slotgedachte obv voorgaande

Slide 12 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke functie past het best bij welk tekstonderdeel?
Inleiding
middenstuk
slot
bewijs
bewering
gevolgen
opsomming
theorie
conclusie
constatering
argumentatie
oorzaak
oplossing
afweging
argument
advies
verklaring
toelichting
nuancering
ontkenning
tegenwerping
weerlegging
aanleiding
samenvatting
oproep
aanbeveling
probleemstelling

Slide 13 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk
lezen blok 4:
maak opdracht 2 en 3 blz. 174 t/m 178
leer de theorie op blz. 173  en 174

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies