VT 2 - Taalstimuleringsplan

1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
TaalHBOStudiejaar 2

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welk van de onderstaande begrippen hoort NIET bij de drie pijlers van interactie?
A
taalaanbod
B
taalproductie
C
taalleerstrategie
D
taalfeedback

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In welke volgorde doorlopen kinderen de volgende stappen op weg naar het leren lezen:

1. fonemisch bewustzijn, 2. fonologisch bewustzijn, 3. taalbewustzijn, 4. alfabetisch principe?
A
3 - 2 - 1 - 4
B
2 - 1 - 4 - 3
C
1 - 3 - 4 - 2
D
4 - 3 - 1 - 2

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat wordt bedoeld met 'visuele synthese'?
A
letters in een woord herkennen
B
losse letters samenvoegen tot één woord
C
volgorde van letters onthouden
D
plaats van een letter in een woord herkennen

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een foneem?  
A
Een lettercombinatie die naar een klankgroep verwijst.  
B
Een combinatie van twee of drie spraakklanken.  
C
Een klank die wordt weergeven door een letter of lettercombinatie.
D
Een klankencombinatie die betekenis heeft.  

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een voorbeeld van een klankzuiver woord?  
A
hooi
B
boos
C
brood
D
leeuw

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat hoort NIET bij de leesomgeving?
A
gevarieerd aanbod aan boeken en teksten
B
aantrekkelijke plaatsen waar kinderen kunnen lezen
C
activiteiten die het lezen stimuleren
D
activerende kringgesprekken

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat wordt bedoeld met verhalend ontwerpen?
A
een thema in de klas uitwerken aan de hand van een verhaal of een storyline, waarbij leerlingen actief meedoen en zelf ontdekkend leren
B
in je lesontwerpen gebruikmaken van een rijk aanbod aan prentenboeken
C
aansluitend op het thema in de klas een verhaal of storyline ontwerpen dat kinderen uitspelen
D
in je lesontwerpen aandacht hebben voor verschillende manieren waarop kinderen uiting kunnen geven aan hun gevoelens

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is NIET WAAR over de schrijfontwikkeling?
A
De schrijfontwikkeling start zo rond het zesde levensjaar.
B
In de schrijfontwikkeling zijn verschillende elkaar opeenvolgende fasen te onderscheiden.
C
Kinderen een taaltekening laten maken kan bijdragen aan hun schrijfontwikkeling.
D
Wanneer je samen met kinderen een mindmap maakt, laat je ze een functie van schrijven zien.

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk van de onderstaande woorden hoort bij het dagelijks algemeen taalgebruik van kinderen en verwerven ze waarschijnlijk spontaan?
A
de koorddanser
B
terwijl
C
in de war zijn
D
zeggen

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kiki uit groep 5 is net verhuisd en vertelt in de kring hoe haar nieuwe kamer eruit ziet. Van welke taalfunctie is in dit voorbeeld sprake (herhaling jaar 1)? 
A
rapporteren
B
redeneren
C
projecteren
D
modeleren

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 14 - Tekstslide

A.d.h.v. quiz in vogelvlucht onderwerpen aangestipt. 

Wat jullie hopelijk ook hebben ervaren en geleerd in het onderwijs (aan kleuters) is dat het gaat om het bieden van veel verschillende ervaringen en contexten aan kinderen, wat kan door ze prentenboeken voor te lezen met allerlei verschillende verhalen, door ze met veel verschillende materialen in aanraking te laten komen en veel verschillende dingen te laten ervaren in hun spel in de hoeken. De taal is daaraan verbonden; verschillende prentenboeken bieden verschillende taal; verschillende hoeken bieden verschillende taal/woorden voor het spel daarin; op die manier breid je door kinderen verschillende dingen te ervaren, ook hun taalkennis uit. 

Door duurzaam te leren, vergroot je je ervarings- en taalbasis. Daaronder verstaan we de ervaringen en kennis die leerlingen thuis en op school verwerven en de daarmee verbonden taal. Hoe meer ervaringen en daarmee verbonden kennis en taal in het brein zijn opgeslagen, hoe gemakkelijker leerlingen nieuwe informatie zullen begrijpen. Hoe minder talig je thuisomgeving is (gesprekken, voorlezen, aanwezigheid van kranten en boeken, bezoek aan musea en theater) hoe beperkter je ervarings- en taalbasis en hoe minder je zult begrijpen. Een belangrijke taak van de school is het zo inrichten van onderwijs dat alle leerlingen hun ervarings- en taalbasis kunnen vergroten.

Slide 15 - Tekstslide

Het gaat erom dat leerlingen door volgehouden aandacht voor een thema dat ertoe doet, intrinsiek gemotiveerd raken om te leren en rijke conceptuele en contextuele kennis opbouwen.
Als ze excentriek gemotiveerd zijn leren ze voor een cijfer of omdat ze graag een lesje af willen hebben. Kinderen zijn intrinsiek gemotiveerd als ze werkelijk willen leren omdat ze geïnteresseerd zijn in het onderwerp waarover wordt geleerd.

Bij welke taalontwikkelende activiteit bemerkte jij intrinsieke motivatie bij de kinderen?

Slide 16 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat vind jij belangrijk bij het taalonderwijs aan kleuters?

Slide 19 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat wil je ons meegeven voor de colleges Taal Jonge Kind volgend jaar - en voor periode 3?

Slide 23 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies