Bijvoeglijk_naamwoord_LessonUp (1)

Het bijvoeglijk naamwoord

Wat is het? · Hoe verbuig je het? · Trappen van vergelijking

Deel 1 Wie is wie? · Les 4

1 / 37
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsSecundair onderwijsA-stroomLeerjaar 1

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Het bijvoeglijk naamwoord

Wat is het? · Hoe verbuig je het? · Trappen van vergelijking

Deel 1 Wie is wie? · Les 4

Met welke affiche vind jij Minou terug?

A

VERLOREN!

Een kat.

Ze heet Minou.

B

VERLOREN!

Een kleine, rosse kat met een witte staart en groene ogen. Ze is erg schuw. Ze heet Minou.

2

Wat maakt affiche B zo goed?

Een kleine, rosse kat met een witte staart en groene ogen. Ze is erg schuw.

geel = zelfstandig naamwoord (zn): een mens, dier, plant of ding

groen = bijvoeglijk naamwoord (bn): zegt iets meer over het zn

Zonder de groene woorden weet je niet wélke kat je zoekt.

3

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

Een bijvoeglijk naamwoord (bn) zegt iets meer over het zelfstandig naamwoord waarbij het hoort.

Het maakt een beschrijving duidelijker en levendiger.

de enthousiaste jongen

een rosse kat

het oude huis

Tip: vraag je af: hoe is het? Hoe ziet het eruit?

4

Zoek de bijvoeglijke naamwoorden

De stoere voetballer scoorde een prachtig doelpunt.


Zoek de bijvoeglijke naamwoorden

Mijn kleine zus draagt een rode jas.

Zoek de bijvoeglijke naamwoorden

Die film was heel spannend.

Bijvoeglijk naamwoord of niet?

wel een bn

geen bn



verlegen

lief

hond

tafel

eerlijk

snel

zingen

lopen

groen

schoen

Maak de zin levendiger

Voeg in de zin minstens twee bijvoeglijke naamwoorden toe.

Op tafel stond een taart.

Waar staat het bijvoeglijk naamwoord?

1

Vlak vóór het zelfstandig naamwoord

Er hing een vrolijke sfeer.

→ vaak mét -e

2

Los, na een koppelwerkwoord

Haar outfit was prachtig.

→ geen -e

koppelwerkwoorden: zijn, worden, blijven, lijken, schijnen, blijken

8

De regel: wanneer schrijf je een -e?

Een bijvoeglijk naamwoord krijgt altijd een -e.

BEHALVE als …

  • het zn een het-woord in het enkelvoud is

  • én er een, geen of niets voor staat

een groot huis · geen groot huis · groot nieuws

In alle andere gevallen: -e

het grote huis

de grote tuin

een grote tuin

grote huizen (meervoud: altijd -e)

10

Stappenplan: -e of niet?

1

Staat het bn vóór het zn?

nee → geen -e

ja → ga verder

2

Is het zn een het-woord in het enkelvoud?

nee → -e

ja → ga verder

3

Staat er een, geen of niets voor?

ja → geen -e

nee → -e

Twijfel je: de of het? Zoek het woord op in woordenlijst.org.

11

Ik krijg een ( nieuw / nieuwe ) fiets.

A

nieuw

B

nieuwe

We wonen in een ( oud / oude ) huis.

A

oud

B

oude

Het ( klein / kleine ) kind lacht.

A

klein

B

kleine

Dat is geen ( slim / slimme ) idee.

A

slim

B

slimme

Ik drink graag ( warm / warme ) chocolademelk.

A

warm

B

warme

Let op je spelling als je een -e toevoegt

Lange klank

één klinker minder

groot → grote

rood → rode

raar → rare

Korte klank

medeklinker verdubbelt

dik → dikke

wit → witte

dom → domme

f wordt v, s wordt z

als je v of z hoort

lief → lieve

boos → boze

grijs → grijze

Zeg het woord luidop. Hoor je een s? Dan blijft het een s: fris → frisse.

13

Wij wonen in een grote huis.

A

juist

B

fout

De wite muur is net geverfd.

A

juist

B

fout

Het lieve meisje helpt haar broer.

A

juist

B

fout

Daar speelt een kleine kind.

A

juist

B

fout

Een boze leerkracht stuurt hem naar de gang.

A

juist

B

fout

Ik draag mijn groote sjaal.

A

juist

B

fout

Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden

Ze vertellen van welk materiaal iets gemaakt is.

Ze krijgen -en: een houten tafel.

Geen extra -e: het houten huis.

hout

houten

glas

glazen

steen

stenen

ijzer

ijzeren

katoen

katoenen

goud

gouden

16

Waarvan is het gemaakt?

a papier → een … zakje

b zilver → een … armband

c wol → een … trui

d goud → het … horloge

e glas → de … deur

17

papier → een … zakje

zilver → een … armband

wol → een … trui

glas → de … deur

Trappen van vergelijking

Tom

Jerry

Bob

lang

stellende trap

langer + er

vergrotende trap

het langst + st

overtreffende trap

Tom is lang. Jerry is langer. Bob is het langst.

18

Let op bij de trappen

Eindigt op -r?

+ der

ver – verder – verst

duur – duurder – duurst

Spelling

zoals bij de -e

groot – groter – grootst

dik – dikker – dikst

Onregelmatig

uit je hoofd leren

goed – beter – best

veel – meer – meest

weinig – minder – minst

Ook trappen krijgen een -e vóór een zn: de langste jongen, een grotere fiets.

19

Welke trap past in de zin?

a Mijn broer is … dan ik. (oud)

b Dit is de … film van het jaar. (spannend)

c Mijn rugzak is … dan de jouwe. (zwaar)

d Wie loopt het … van de klas? (snel)

e Dit ijsje is nog … dan dat van gisteren. (lekker)

f Jouw tekening is … dan de mijne. (goed)

21

Welke vorm past in de zin: Mijn broer is … dan ik. (oud)

A

ouder

B

oudst

C

oud

D

ouderst

Welke vorm past in de zin: Dit is de … film van het jaar. (spannend)

A

spannend

B

spannender

C

spannendste

D

meest spannend

Welke vorm past in de zin: Jouw tekening is … dan de mijne. (goed)

A

goeder

B

best

C

goed

D

beter

Aan de slag in je boek

Les 4 · p. 58-62