Nederlands in actie H5 Werk en beroepen

Nederlands in actie H5 Werk en beroepen
Doelen:
  • Ik ken minstens 10 verschillende beroepen 
  • Ik ken de vocabulaire van H5
  • Ik ken de onregelmatige werkwoorden uit H4 en H5
  • Ik ken 20 werkwoorden met een vaste prepositie
  • Ik kan de relatieve pronomina "die" en "dat" juist gebruiken
  • Ik kan op verschillende manieren negatief en positief op een voorstel/plan reageren
  • Ik kan een tekst samenvatten
  • den.
  • Ik ken 20 werkwoorden met een vaste prepositie
  • Ik kan een sollicitatiebrief schrijven van tenminste 100 woorden
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Middelbare schoolvmbo t, havoLeerjaar 3

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Nederlands in actie H5 Werk en beroepen
Doelen:
  • Ik ken minstens 10 verschillende beroepen 
  • Ik ken de vocabulaire van H5
  • Ik ken de onregelmatige werkwoorden uit H4 en H5
  • Ik ken 20 werkwoorden met een vaste prepositie
  • Ik kan de relatieve pronomina "die" en "dat" juist gebruiken
  • Ik kan op verschillende manieren negatief en positief op een voorstel/plan reageren
  • Ik kan een tekst samenvatten
  • den.
  • Ik ken 20 werkwoorden met een vaste prepositie
  • Ik kan een sollicitatiebrief schrijven van tenminste 100 woorden

Slide 1 - Tekstslide

Beeldfragmenten beroepen
https://dlo.coutinho.nl/mod/page/view.php?id=10589

Slide 2 - Tekstslide

Beroepsfilm: leerkracht basisonderwijs
https://youtu.be/bS1k_X7bsJ4?si=VaKQln4L89DUm0Ln

Slide 3 - Tekstslide

Beroepen
https://youtu.be/rj-2oblKOKM?si=NeRbbE5-PfQnvhp2

Slide 4 - Tekstslide

Beroepen
https://quizlet.com/nl/403065603/beroepen-flash-cards/?i=1zl84x&x=1jqt

Slide 5 - Tekstslide

Welke zin is juist?
A
Hij trok aan zijn schoen en vertrok.
B
Hij trok zijn schoenen aan en vertrok.

Slide 6 - Quizvraag

Welke zin is juist?
A
We zijn binnengebleven want het weer schrikte ons af.
B
We zijn binnengebleven omdat het weer ons afschrikte.

Slide 7 - Quizvraag

Welke zin is juist?
A
Hij is van zijn plan afgewijkt.
B
Hij is van zijn plan afgeweken.

Slide 8 - Quizvraag

Welke zin is juist?

A
Ze afzagen hun plan.
B
Ze zagen van hun plan af.

Slide 9 - Quizvraag

Welke zin is juist?
A
De man joeg de kinderen weg.
B
De man jaagde de man weg.

Slide 10 - Quizvraag

Welke zin is correct?
A
Ik geefde hem zijn geld.
B
Ik gaf hem zijn geld.

Slide 11 - Quizvraag

Wat is de vertaling van:
undertake, undertook, undertaken
A
ondernemen, onderneemde, ondernomen
B
ondernemen, ondernam, ondernomen

Slide 12 - Quizvraag

Maak een zin in de imperfectum met:
"nemen"

Slide 13 - Open vraag

Maak een zin in de perfectum met: "rondlopen" (walk about)

Slide 14 - Open vraag

Maak een zin in de present met: "gelden" (apply)

Slide 15 - Open vraag

Vertaal deze zin: "Op de vakbeurs waren veel beroepen te zien".

Slide 16 - Open vraag

Vertaal deze zin:
"Ik werk graag als schoonheidsspecialist".

Slide 17 - Open vraag

Vertaal deze zin: "Ik ben hoogleraar in de wiskunde"

Slide 18 - Open vraag

Vertaal deze zin: "Ik ben hoogleraar in de wiskunde"

Slide 19 - Open vraag

Relatief pronomen die en dat
Met die en dat kun je extra informatie geven over een ding of een persoon. Die gebruik je bij "de-woorden" en personen, dat gebruik je bij "het-woorden". Na die en dat komt een bijzin.

Slide 20 - Tekstslide

Gebruik het relatief pronomen: die of dat.
Wat doet een advocaat?
Antwoord met: "Een advocaat is iemand ........

Slide 21 - Open vraag

Gebruik het relatief pronomen: die of dat.
Wat doet een bakker?
Antwoord met: "Een bakker is iemand ........

Slide 22 - Open vraag

Gebruik het relatief pronomen: die of dat.
Wat doet een huisarts?
Antwoord met: "Een huisarts is iemand ........

Slide 23 - Open vraag

Hoe schrijf je een sollicitatiebrief?
https://youtu.be/kdNu9ocaHr8?si=dPfU5EKPW51yjMNa

Slide 24 - Tekstslide

De regels


Die gebruik je om te verwijzen naar een de-woord uit de hoofdzin.
De man die daar loopt, is mijn buurman.
Ik vind de jurk die zij draagt, echt prachtig!
Dat gebruik je om te verwijzen naar een het-woord uit de hoofdzin.
Hoe heet het boek dat je leest?
Dit is het beste voorstel dat er gedaan is.
Wat gebruik je om te verwijzen naar een onbepaald voornaamwoord, een overtreffende trap of een hele zin.
Een weekje vakantie is alles wat ik wil.
Dit is het mooiste wat ik ooit heb gezien.
Mijn broer komt altijd te laat, wat ik heel irritant vind.
Wat is er nu aan het veranderen? Eigenlijk twee dingen. De eerste is het gebruik van wat in plaats van dat. In spreektaal is dit al bijna de standaard. Onderstaande zinnen klinken voor de meeste Nederlanders helemaal niet gek.
Hoe heet het boek wat je leest?
Dit is het beste voorstel wat er gedaan is.
In schrijftaal vindt men dit wel nog fout












Slide 25 - Tekstslide

afzien

Slide 26 - Sleepvraag