§6.1 Werken met hefbomen

§6.1 Werken met hefbomen
Een hefboom gebruiken:
Zie tekening; 
 er is een kleine kracht nodig om de boomstam op te tillen. 
De stok functioneert als een hefboom.
Gereedschap met een steel/handvat werken als een hefboom.
Elke hefboom heeft een draaipunt:
Een lange steel => dan is een kleine kracht nodig.
Een korte steel => dan is een grote kracht nodig.

1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

In deze les zitten 13 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

§6.1 Werken met hefbomen
Een hefboom gebruiken:
Zie tekening; 
 er is een kleine kracht nodig om de boomstam op te tillen. 
De stok functioneert als een hefboom.
Gereedschap met een steel/handvat werken als een hefboom.
Elke hefboom heeft een draaipunt:
Een lange steel => dan is een kleine kracht nodig.
Een korte steel => dan is een grote kracht nodig.

Slide 1 - Tekstslide

§6.1 Werken met hefbomen
Eenvoudige hefboom.
Een hefboom in evenwicht hangt dus af van:
De grootte van de krachten
De afstand tussen de krachten en de draaias.

Waar is hier de draaias?


Slide 2 - Tekstslide

§6.1 Werken met hefbomen
Eenvoudige hefboom.
  • De grootte van de krachten 
  • De afstand tussen de krachten en de draaias.
 
Moment = grootte kracht x lengte arm
      M         =              F              ∙         l



Slide 3 - Tekstslide

§6.1 Werken met hefbomen
Werkwijze:


Bepaal het moment aan de linkerkant:    M = F ∙ l
Bepaal het moment aan de rechterkant: M = F ∙ l
 zijn beide even groot, dan is de hefboom in evenwicht.




Slide 4 - Tekstslide

§6.1 Werken met hefbomen
Het moment van een kracht.
=> Momentenwet:
Een hefboom is in evenwicht als
de som van de momenten links gelijk is aan
de som van de momenten rechts.
        links                rechts
 M1 + M2 + …. = M1 + M2 + …



Slide 5 - Tekstslide

§6.1 Werken met hefbomen
Werklijn.
De arm is de afstand tussen de werklijn van de kracht 
en de draaias.
Werkwijze:
  • Teken een verticale lijn vanuit de kracht loodrecht op de horizontale as waar het draaipunt ligt.





Slide 6 - Tekstslide

§6.1 Werken met hefbomen
Enkele en dubbele hefbomen.






Slide 7 - Tekstslide

§6.1 Werken met hefbomen
Welke nijptang zal meer kracht  
 bij de bek hebben als je op
 beide een even grootte  
 kracht uitoefent?






Slide 8 - Tekstslide

§6.1 Werken met hefbomen
Opdrachten voor de volgende les.
Noteer via gegeven, gevraagd, oplossing
de antwoorden in je schrift/klapper (A4-formaat)

Slide 9 - Tekstslide

§6.1 Werken met hefbomen
1 Noteer bij elke situatie de kracht, 
   de arm en bereken het moment.
a. schaal 1 : 30
     pijl is 1,8cm

Slide 10 - Tekstslide

§6.1 Werken met hefbomen
1 Noteer bij elke situatie de kracht, 
   de arm en bereken het moment.
b. schaal 1 : 5
     pijl is 2,7 cm

Slide 11 - Tekstslide

§6.1 Werken met hefbomen
1 Noteer bij elke situatie de kracht, 
   de arm en bereken het moment.
b. schaal 1 : 4
     pijl is 1,5 cm

Slide 12 - Tekstslide

§6.1 Werken met hefbomen
3. Een tubeknijper maakt gebruik van een hefboom.
   Een schematische tekening laat de afmetingen op schaal zien.
   D is het draaipunt, bij B werkt een (verticale) kracht van 2,4N.
    Bereken de spierkracht die bij A geleverd moet worden.
    AD = 7,3 cm
    BD = 1,9 cm

Slide 13 - Tekstslide