Zugspitze Schritt 40-8oktober-Redemittel-Grammatik

1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvmbo lwoo, havoLeerjaar 3

In deze les zitten 16 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 1 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lernziele:
- ich wiederhole die Grammatik: 
Fälle und Verben

und Nora checkt:
- ich spreche über Freizeit: Stempelaufgabe 36 + 38


Bitte Laptop, Heft und Stift auf den Tisch

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

naamwoordelijk deel van het gezegde
en tijdsbepaling zonder voorzetsel
=> welke naamval???

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1e naamval:
=> naamwoordelijk deel van het gezegde


Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

na koppelwerkwoorden
sein
werden
bleiben

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

voorbeelden
Mein jüngster Sohn bleibt immer ein Clown.

Ihr Vater ist der Coach von ihrer Mannschaft.

Der Mann wird unser neuer Direktor.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4e naamval
bij tijdsbepaling zonder voorzetsel

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

voorbeelden
Ik ben een dag op de Zugspitze gebleven.
Ich bin einen Tag auf der Zugspitze geblieben

=> Heb je een tijdsbepaling zonder voorzetsel in de zin, gebruik je de vierde naamval.
einen Tag, eine Woche, ein Jahr

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Und jetzt: Macht Aufgabe 7, 9 (Kopie) und 11 (siehe unten oder in teams=Seite 55)
timer
25:00
+ Nora checkt die Stempelaufgabe

Slide 10 - Tekstslide

15 Minuten

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

19. schreibst
20. geht
21. überlegt
22. wundert
23. kennen
24. entdecke
25. heißt
26. neckt
27. liebt

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aufgabe 11
  1. um euch, 4e, voorzetsel ´um´
  2. für mich, 4e naamval, voorzetsel ´für´
  3. gegen ihn, 4e naamval, voorzetsel ´gegen´
  4. ihn, 4e naamval, lijdend voorwerp
  5. Ohne sie, 4e naamval, voorzetsel ´ohne´
  6. Sie, 1e naamval, onderwerp
  7. Durch euch
  8. Sie
  9. sie
10. um dich
11. Sie
12. uns

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stempelaufgabe machen
- Kopie: Übt beide Gespräche 
- mit Redemitteln => Stichwörter schreiben
- Nora kommt vorbei und gibt Feedback
- Gut gemacht = Stempel 

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies