LL5C - D1L2 - Tijden en spelling van de werkwoorden

Werkwoordspelling stap voor stap

1 / 38
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsSecundair onderwijsA-stroom

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Werkwoordspelling stap voor stap

Open met de centrale vraag van de les: hoe herken je werkwoorden en kies je daarna de juiste vorm en spelling in een zin?

Lesdoel

Ik kan de spellingregels van werkwoorden in ott, ovt, vtt en vvt herkennen en correct toepassen.

De gebruiker gaf meerdere doelen. Deze slide neemt het doel over dat de andere doelen samenbrengt: herkennen én toepassen van werkwoordsvormen en tijden.

Welke woorden koppel jij aan werkwoordspelling?

Gebruik de woordwolk om voorkennis te activeren. Verwachte woorden: werkwoord, stam, persoonsvorm, tijd, t, d, ott, ovt, voltooid deelwoord.

Wat is een werkwoord?

Een werkwoord zegt wat iemand of iets doet, is, wordt of ondergaat.


Voorbeelden:

  • lopen

  • denken

  • zijn

  • gebeuren

Benadruk dat werkwoorden niet alleen handelingen uitdrukken. Ook koppelwerkwoorden zoals 'zijn' horen erbij.

Hoe herken je een werkwoord?

Je kunt een werkwoord vaak herkennen door te kijken of het woord:

  • een actie uitdrukt

  • kan veranderen van tijd

  • kan veranderen van vorm


Voorbeeld:

werken → werkt → werkte → gewerkt

Maak duidelijk dat werkwoorden veranderen, terwijl veel andere woordsoorten dat niet op dezelfde manier doen.

Werkwoorden in een zin vinden

Zo pak je het aan:

  • zoek welk woord iets zegt over doen, zijn of worden

  • verander de zin van tijd

  • kijk welk woord dan mee verandert


Voorbeeld:

De jongen speelt buiten.

→ speelt is het werkwoord.

Een nuttige test is de tijdsproef: zet de zin in het verleden en laat leerlingen zien welk woord verandert.

Waarom zijn werkwoorden belangrijk?

Werkwoorden sturen de zin.

  • Ze bepalen vaak de tijd.

  • Ze tonen wie iets doet.

  • Hun spelling verandert mee met de vorm.

Deze slide verbindt woordsoortherkenning met spelling: je moet eerst weten dat iets een werkwoord is voor je de juiste schrijfwijze kunt kiezen.

Verschillende vormen

Een werkwoord kan in verschillende vormen voorkomen:

  • hele werkwoord: lopen

  • persoonsvorm: loopt

  • stam: loop

  • voltooid deelwoord: gelopen

  • infinitief gebruikt als werkwoordsvorm: lopen is gezond

Houd de terminologie consequent. 'Hele werkwoord' is voor deze doelgroep bruikbaarder dan alleen 'infinitief', maar noem beide indien gewenst mondeling.

Welk woord is het werkwoord in deze zin: De kinderen spelen buiten?

A

kinderen

B

buiten

C

spelen

D

de

Controleert of leerlingen het werkwoord in een eenvoudige zin kunnen aanduiden.

Vormen van een werkwoord

Een werkwoord kan van vorm veranderen. Het hele werkwoord van werken is werken. De stam is werk. De persoonsvorm verandert mee met tijd of onderwerp.

vorm
hele werkwoord
stam
persoonsvorm
zin
onderwerp
voltooid deelwoord
regel

Alleen load-bearing begrippen uit het eerste subtopic worden bevraagd.

De stam van het werkwoord

De stam vind je meestal zo:

  • neem het hele werkwoord

  • haal -en weg


Voorbeelden:

  • werken → werk

  • maken → maak

  • antwoorden → antwoord

Vermijd hier nog uitzonderingen in detail; focus op de basisstap omdat die nodig is voor de spelling van de tegenwoordige tijd.

De persoonsvorm

De persoonsvorm is de vorm van het werkwoord die verandert als je:

  • de zin in een andere tijd zet

  • het onderwerp verandert


Voorbeeld:

  • Ik werk.

  • Hij werkt.

  • Wij werkten.

Leg uit dat de persoonsvorm cruciaal is voor de meeste spellingregels in ott en ovt.

Het voltooid deelwoord

Het voltooid deelwoord gebruik je in voltooide tijden.


Voorbeelden:

  • heeft gewerkt

  • is verhuisd

  • had gespeeld

Nog geen volledige regeluitleg hier; die volgt bij vtt en vvt. Hier gaat het alleen om herkenning van de vorm.

Werkwoorden aanduiden in zinnen

Let op de vormen van hetzelfde werkwoord:

  • Mila leest een boek.

  • Mila las een boek.

  • Mila heeft een boek gelezen.


De vetgedrukte woorden zijn werkwoordsvormen.

Maak het verschil zichtbaar tussen persoonsvorm en voltooid deelwoord binnen één betekenisveld van hetzelfde werkwoord.

Welke vorm is een voltooid deelwoord?

A

loopt

B

lopen

C

gelopen

D

loop

Laat leerlingen de verschillende werkwoordsvormen onderscheiden.

Hoe vind je de persoonsvorm in een zin?

Bespreek dat de persoonsvorm het woord is dat verandert als je de tijd of het onderwerp verandert. In de zin 'Mila leest een boek' is dat 'leest'.

Vier belangrijke tijden

In deze les werk je met vier tijden:

  • ott = onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ovt = onvoltooid verleden tijd

  • vtt = voltooid tegenwoordige tijd

  • vvt = voltooid verleden tijd

Zeg de afkortingen telkens voluit. Dat helpt leerlingen om de betekenis van 'onvoltooid' en 'voltooid' te koppelen aan de vorm.

Ott herkennen

De ott gebruik je voor wat nu gebeurt of algemeen geldt.


Voorbeelden:

  • Ik werk vandaag thuis.

  • Jij speelt voetbal.

  • Water kookt bij 100 °C.

Benadruk dat de ott niet alleen over 'nu' gaat, maar ook over vaste waarheden en gewoontes.

Ovt herkennen

De ovt gebruik je voor iets dat in het verleden gebeurde.


Voorbeelden:

  • Ik werkte gisteren laat.

  • Zij speelde buiten.

  • Wij vonden het moeilijk.

Laat leerlingen het tijdssignaal horen: gisteren, vroeger, toen. Maar maak duidelijk dat je de tijd niet alleen aan zo'n woord herkent.

Vtt herkennen

De vtt bestaat uit:

hulpwerkwoord in de ott + voltooid deelwoord


Voorbeelden:

  • Ik heb gewerkt.

  • Zij is vertrokken.

  • Wij hebben gewonnen.

Noem 'hebben' en 'zijn' als hulpwerkwoorden. De kern hier is de structuur, niet de keuze tussen beide.

Vvt herkennen

De vvt bestaat uit:

hulpwerkwoord in de ovt + voltooid deelwoord


Voorbeelden:

  • Ik had gewerkt.

  • Zij was vertrokken.

  • Wij hadden gewonnen.

Wijs op het verschil met vtt: niet het voltooid deelwoord verandert, maar het hulpwerkwoord.

Tijden vergelijken

Eén werkwoord, vier tijden:

  • ott: ik werk

  • ovt: ik werkte

  • vtt: ik heb gewerkt

  • vvt: ik had gewerkt

Deze vergelijkingsslide helpt leerlingen patronen zien voor dezelfde betekenis in verschillende tijden.

Welke afkorting past bij: Ik had gewerkt.

A

ovt

B

vtt

C

ott

D

vvt

De juiste keuze is vvt: hulpwerkwoord in de ovt + voltooid deelwoord.

Vier tijden herkennen

In de ott gebeurt iets nu: ik werk. In de ovt gebeurde het vroeger: ik werkte. In de vtt zeg je: ik heb gewerkt. In de vvt zeg je: ik had gewerkt.

ott
ovt
vtt
vvt
stam
pv
hele werkwoord
onderwerp

Verankert de vier afkortingen in een bekend patroon uit de slides.

Spelling in de ott

Basisregels voor de persoonsvorm in de ott:

  • ik-vorm: stam → ik werk

  • jij/hij/zij/u: stam + t → jij werkt

  • wij/jullie/zij: hele werkwoord → wij werken

Beperk je tot de kernregels. Eventuele extra gevallen zoals inversie kun je mondeling kort vermelden als uitbreiding.

Spelling in de ott

Voorbeelden:

  • ik antwoord

  • hij antwoordt

  • jij leeft

  • wij leven


Kijk altijd eerst naar het onderwerp.

Benadruk dat leerlingen niet alleen op de klank mogen afgaan; de vorm hangt af van onderwerp en functie in de zin.

Spelling in de ovt

Bij de ovt let je op 't kofschip of 't fokschaap.


Eindigt de stam op een medeklinker uit die reeks?

  • dan schrijf je vaak -te(n)

  • anders schrijf je vaak -de(n)

Noem dat beide ezelsbruggetjes hetzelfde doel hebben. Gebruik consequent één term tijdens de les om verwarring te vermijden.

Spelling in de ovt

Voorbeelden:

  • werken → stam werk → werkte

  • spelen → stam spel → speelde

  • fietsen → stam fiets → fietste

  • landen → stam land → landde

Licht toe dat je kijkt naar de laatste medeklinker van de stam. 'Landde' is didactisch bruikbaar omdat de dubbele d opvalt.

Spelling van het voltooid deelwoord

Ook bij het voltooid deelwoord gebruik je 't kofschip of 't fokschaap.

  • vaak ge-...-t → gewerkt

  • vaak ge-...-d → gespeeld


Let op: niet elk werkwoord krijgt ge-.

Noem eventueel mondeling een voorbeeld als 'verhuizen' → 'verhuisd' om te tonen dat voorvoegsels invloed hebben op de vorm met ge-.

Spelling in vtt en vvt

De spelling in vtt en vvt bepaal je in twee stappen:

  1. kies het juiste hulpwerkwoord

  2. schrijf het juiste voltooid deelwoord


Voorbeelden:

  • heeft gewerkt

  • had gespeeld

Leg uit dat de moeilijkheid vaak in stap 2 zit: het voltooid deelwoord correct spellen.

Slim stappenplan

Zo controleer je werkwoordspelling:

  • zoek het werkwoord

  • bepaal de vorm

  • bepaal de tijd

  • pas de regel toe

  • lees de zin opnieuw na

Deze slide brengt de hele les samen in een bruikbaar denkproces. Koppel elk stapje aan eerdere slides.

Welke vorm is juist in de ott?

A

wij werkt

B

ik werkt

C

hij werken

D

jij werkt

Toetst de basisregel: ik = stam, jij/hij/zij/u = stam + t, wij/jullie/zij = hele werkwoord.

Spellingregels toepassen

Bij de ott schrijf je: ik werk, maar hij werkt. In de ovt krijg je vaak -te(n) of -de(n). In vtt en vvt let je op het voltooid deelwoord.

werk
werkt
-te(n)
voltooid deelwoord
werken
werkte
stam
onderwerp

Bundelt de kernregels van het laatste subtopic in één oefening.

Welke stap uit het stappenplan helpt jou het meest?

Verwachte elementen: zoek eerst het werkwoord, bepaal daarna de vorm, vervolgens de tijd, pas dan de regel toe en lees de zin opnieuw na.

Wat heb je vandaag geleerd over werkwoordspelling?

Reflectievraag zonder juist antwoord. Laat leerlingen kort benoemen wat ze inhoudelijk meenemen uit de les.

Welk deel vond je het moeilijkst?

Reflectievraag zonder juist antwoord. Geschikt om zicht te krijgen op moeilijke onderdelen zoals ott/ovt of t/d-keuze.

Begrippenlijst

werkwoord - woord dat een handeling, toestand, verandering of gebeurtenis uitdrukt

stam - basisvorm van het werkwoord, meestal zonder -en

persoonsvorm - werkwoordsvorm die verandert als je de tijd of het onderwerp verandert

hele werkwoord - de vorm van het werkwoord zoals in lopen of werken

voltooid deelwoord - werkwoordsvorm in voltooide tijden, zoals gewerkt of gespeeld

hulpwerkwoord - werkwoord dat meehelpt om een tijd te vormen, zoals hebben, zijn of had

onderwerp - woord of woordgroep die aangeeft wie of wat iets doet

Deze slide heeft geen instructies

Begrippenlijst

ott - onvoltooid tegenwoordige tijd, bijvoorbeeld ik werk

ovt - onvoltooid verleden tijd, bijvoorbeeld ik werkte

vtt - voltooid tegenwoordige tijd, bijvoorbeeld ik heb gewerkt

vvt - voltooid verleden tijd, bijvoorbeeld ik had gewerkt

't kofschip - ezelsbruggetje om te kiezen tussen spelling met t of d in bepaalde werkwoordsvormen

werkwoordspelling - de juiste schrijfwijze van werkwoorden volgens hun vorm en tijd

Deze slide heeft geen instructies