Les van 6 mei

Les van 6 mei

- Spreekwoorden en uitdrukkingen;
- Dictee;
- Spelling: vervolg Thema 5;
- Werkwoordspelling.

1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nederlands8th Grade

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Les van 6 mei

- Spreekwoorden en uitdrukkingen;
- Dictee;
- Spelling: vervolg Thema 5;
- Werkwoordspelling.

Slide 1 - Tekstslide

Suggestieve vragen

- Dit is vaak een gesloten vraag;
- Er zit een antwoord of een oordeel in de vraag verstopt;
- De vragensteller stuurt de antwoorder in een bepaalde richting/ naar het antwoord dat hij graag wil horen.




Slide 2 - Tekstslide

Suggestieve vragen
Voorbeeld:

- Jij komt niet naar het feestje, toch?
- Ik mag hopen dat jij taart lekker vindt.

Slide 3 - Tekstslide

Spreekwoorden en uitdrukkingen

Wat zijn dat ook alweer?

Slide 4 - Tekstslide

Spreekwoorden en uitdrukkingen

Spreekwoorden en uitdrukkingen zijn vaste, figuurlijke taaluitingen die een cultuur of wijsheid weerspiegelen.

Slide 5 - Tekstslide

Spreekwoorden en uitdrukkingen

Er is wel een verschil tussen deze twee.

Slide 6 - Tekstslide

Spreekwoord 
 
Is een onveranderlijke, volledige zin met een levensles
 (bijv. "Rust roest"). 

Slide 7 - Tekstslide

Uitdrukking

Is een flexibel zinsdeel, vaak figuurlijk, zonder moraal 
(bijv. "iets met hart en ziel doen”)

Slide 8 - Tekstslide

Spreekwoord 
Definitie: Een korte, krachtige uitspraak die een algemene waarheid, volkswijsheid of levensles uitdrukt.
Kenmerken: Het is een volledige zin, vaak in de tegenwoordige tijd, die niet veranderd kan worden.

Voorbeelden:
o Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht. (Het is beter iets kleins te hebben dan iets groters te begeren dat onzeker is).
o De appel valt niet ver van de boom. (Kinderen lijken vaak op hun ouders).
o Als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel. (Als er geen (Als er geen toezicht is, doen mensen waar ze zin in hebben)

Slide 9 - Tekstslide

Uitdrukking
Definitie: Een vaste combinatie van woorden met een figuurlijke betekenis die niet direct een levensles bevat.
Kenmerken: Vaak een zinsdeel, niet de hele zin. Ze kunnen grammaticaal worden aangepast (vervoegd).

Voorbeelden:
o Lachen als een boer met kiespijn. (Zuur lachen, lachen om iets wat eigenlijk niet leuk is).
o Iemand een handje helpen. (Iemand ondersteunen).
o Met hart en ziel. (Iets met heel veel toewijding

Slide 10 - Tekstslide

Spreekwoorden en uitdrukkingen
Belangrijkste Verschillen
Vorm: Een spreekwoord staat vast (bijv. "De aap komt uit de mouw" kun je niet veranderen in "Het aapje komt uit de mouw") een uitdrukking niet.
• Een uitdrukking kun je vervoegen (bijv. "Hij hielp me een handje" / "Zij helpen me een handje").
Inhoud: Spreekwoorden bevatten een levenswijsheid; uitdrukkingen en gezegden zijn vaak figuurlijke beschrijvingen van een situatie

Slide 11 - Tekstslide

Spreekwoorden en uitdrukkingen

- Zowel spreekwoorden als uitdrukkingen maken deel uit van de beeldspraak en maken een taal levendiger en cultuurgebonden;

- Spreekwoorden en uitdrukkingen zijn weet-dingen: je moet ze leren.

Slide 12 - Tekstslide

Spreekwoorden en uitdrukkingen

Ga naar blz. 31 van je Taalboek en maak oefening 1 & 2

Slide 13 - Tekstslide

Spreekwoorden en uitdrukkingen

Ga daarna naar blz. 40 en maak daar ‘eerst proberen’ en daarna oefening 1

Slide 14 - Tekstslide

Spelling

We gaan verder met Thema 5

Slide 15 - Tekstslide

Klein dictee
We gaan weer even een klein dictee doen.  We doen dat zoals we dat altijd doen: ik lees alles eerst voor en jij typt alle en daarna druk je op 'send'.

Slide 16 - Tekstslide


Slide 17 - Open vraag

Spelling

Werkwoord vervoeging

Slide 18 - Tekstslide

Werkwoord vervoeging
Bekijk de volgende schema.

Ik stuur het je ook toe: print het (liefst in kleur), doe het in een plastic mapje en houd het voortaan altijd bij de hand.

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Werkwoord vervoeging

Bekijk de volgende filmpjes en maak aantekeningen!

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Video

Slide 23 - Video

Tegenwoordige tijd
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> lopen
Stap 2: Haal 'en' eraf -> lop
Stap 3: Bepaal de 'ik-vorm" -> ik loop
Stap 4: om wie gaat het? -> ik / ander / meer
ik loop
ander (jij, hij, zij, u) stam/ik-vorm + t -> loopt
meer -> gewoon het hele werkwoord

Slide 24 - Tekstslide

Hij (pakken) iets uit de kast.

Slide 25 - Open vraag

Jij (rijden) veel te hard.

Slide 26 - Open vraag

Tegenwoordige tijd
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> lopen
Stap 2: Haal 'en' eraf -> lop
Stap 3: Bepaal de 'ik-vorm" -> ik loop
Stap 4: om wie gaat het? -> ik / ander / meer
ik loop
ander (jij, hij, zij, u) stam/ik-vorm + t -> loopt
meer -> gewoon het hele werkwoord

Slide 27 - Tekstslide

Tegenwoordige tijd


UITZONDERING:


Als er 'je' of 'jij' achter het werkwoord staat: nooit een 't' toevoegen.

Slide 28 - Tekstslide

Tegenwoordige tijd
Bijvoorbeeld:


Slaap je altijd met de gordijnen open?

Neem je meestal koffie mee naar het werk?

Dus ook: Word je ook zo moe van de hitte?


Slide 29 - Tekstslide

Tegenwoordige tijd
Maar ALLEEN als het om jou gaat:

Slaapt je moeder altijd met de gordijnen open?

Neemt je zus meestal koffie mee naar het werk?
Dus ook: Wordt je broer ook zo moe van de hitte?

Slide 30 - Tekstslide

Waarom ........ (beladen) jij het dak van de auto zo zwaar?

Slide 31 - Open vraag

Waarom (worden) je moeder altijd boos als je niet op tijd thuiskomt?

Slide 32 - Open vraag

Slide 33 - Tekstslide

De uitspraak van de minister ........ veel opzien.

A
baardden
B
baardde
C
baarden
D
baarde

Slide 34 - Quizvraag

Zij werd al fysiek ........(bedreigen) door haar buurman en nu ........ (bedreigen) hij haar ook via social media.

Slide 35 - Open vraag

Heb je al gevoeld hoe mijn voorhoofd ........ ?


gloeidt


A
gloeid
B
gloeit
C
gloeidt
D
gegloeid

Slide 36 - Quizvraag


Slide 37 - Open vraag

De chauffeur heeft de bus vakkundig door de smalle straatjes ........
A
gemanoeuvreerd
B
gemanouvreerd
C
gemanoeuvreert
D
gemanouvreert

Slide 38 - Quizvraag

De weduwe van de ........ juwelier ........ vorige week bij de rechtszaal de moordenaar bijna.
A
vermoordde - vermoordde
B
vermoordde - vermoorde
C
vermoorde - vermoorde
D
vermoorde -vermoordde

Slide 39 - Quizvraag