Hoofdstuk 2: communicatie... jouw kracht in de zorg

Hoofdstuk 2: communicatie... jouw kracht in de zorg
1 / 55
volgende
Slide 1: Tekstslide
Pedagogisch handelenSecundair onderwijs

In deze les zitten 55 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 2: communicatie... jouw kracht in de zorg

Slide 1 - Tekstslide

Hoe ziet de structuur van een gesprek eruit?

Slide 2 - Woordweb

Structuur van een gesprek 
Een goed gesprek bestaat meestal uit drie delen:
 
1. Beginfase
2. Middenfase
3. Eindfase

Slide 3 - Tekstslide

Structuur van een gesprek - Beginfase
= contact maken met een andere persoon

= Je zorgt voor een warme, rustige sfeer en legt kort uit waarom je het gesprek wilt voeren.

Slide 4 - Tekstslide

Structuur van een gesprek - Beginfase
Wat doe je in deze fase?
 
• Je begroet de persoon vriendelijk.
• Je stelt de ander gerust en toont interesse.
• Je vertelt wat het doel van het gesprek is.
• Je legt eventueel uit hoe het gesprek zal verlopen.

Slide 5 - Tekstslide

Structuur van een gesprek - middenfase
Dit is het belangrijkste deel van het gesprek.
 
Je bespreekt hier de inhoud: wat er aan de hand is, wat iemand voelt, denkt of wil.

Slide 6 - Tekstslide

Structuur van een gesprek - middenfase
Wat doe je in deze fase?
 
• Je stelt vragen om duidelijkheid te krijgen.
• Je luistert actief (knikken, samenvatten, doorvragen).
• Je toont begrip en respect.
• Je zoekt samen naar oplossingen of afspraken.

Slide 7 - Tekstslide

Structuur van een gesprek - slotfase
  • In deze fase rond je het gesprek rustig af.

  • Je zorgt dat alles duidelijk is en dat beide partijen goed weten wat er is afgesproken.

Slide 8 - Tekstslide

Structuur van een gesprek - slotfase
Wat doe je in deze fase?
 
• Je vat kort samen wat er gezegd of beslist is.
• Je bedankt de persoon voor het gesprek.
• Je eindigt positief en vriendelijk.

Slide 9 - Tekstslide

Kort samengevat!

Slide 10 - Tekstslide

Maak de oefeningen op p. 7 - 8

Slide 11 - Tekstslide

Actief luisteren 

Slide 12 - Tekstslide

Wat begrijp je onder 'actief luisteren'?

Slide 13 - Woordweb

Horen vs luisteren
Horen = opvangen van prikkels met het gehoorzintuig.
(puur lichamelijk)

Luisteren = opvangen van prikkels met het gehoorzintuig en een betekenis geven aan hetgeen wordt gehoord.
(verstandelijke om de boodschap op te nemen)



Slide 14 - Tekstslide

Passief vs actief luisteren
-> Vul de tabel op p 9 in

Passief luisteren= de boodschap wordt opgenomen en verwerkt door de luisteraar, maar deze zal niet duidelijk laten blijken dat de boodschap begrepen is. 
Bv. 
  • Studenten in een aula die luisteren naar een professor
  • Tv-kijkers

Actief luisteren = de boodschap wordt opgenomen en verwerkt door de luisteraar en deze zal duidelijk laten blijken dat de boodschap begrepen is. 

Slide 15 - Tekstslide

Non-verbaal actief luisteren
SOFTEN = Smile (lachen), Open posture (open houding), Forward lean (naar voren leunen), Touch (aanraken), Eyecontact (oogcontact) en Nod (knikken) 

6 belangrijke elementen voor als je non- verbaal actief wil luisteren

Slide 16 - Tekstslide

Non - verbaal actief luisteren
  1. Luisterhouding
  2. Oogcontact
  3. Gelaatsuitdrukking
  4. Lichaamscontact
  5. Knikken 
  6. Stiltes 

Slide 17 - Tekstslide

Non-verbaal actief luisteren
1. Luisterhouding

  • Laten zien dat je geïnteresseerd bent in het verhaal van de ander
  • Open en ontspannen luisterhouding aannemen

-> zit/sta recht tegenover elkaar
-> ontspan je armen en benen, sla ze niet krampachtig over elkaar
-> Laat je schouders lichtjes hangen
-> richt je voeten of handen naar de persoon
-> onopvallend de houding van de andere spiegelen of nabootsen
-> leun naar voren = toont jouw interesse

Slide 18 - Tekstslide

Non-verbale actief luisteren
2. Oogcontact

  • aankijken = teken van interesse
  • Zo zie je de gelaatsuitdrukking van een persoon
  • kijk de persoon gerust enkele seconden aan, ga niet staren = de andere gaat zich ongemakkelijk voelen
  • combinatie aankijken en wegkijken 

Slide 19 - Tekstslide

Non-verbaal actief luisteren
3. Gelaatsuitdrukking

  • Gezicht = meest zichtbare lichaamsdeel
  • verschaffen veel informatie over onze gevoelens en houdingen
  • Mimiek =  geeft anderen verduidelijking hoe je hun woorden moet begrijpen
  • Pokerface = Gezichtsuitdrukking komt niet altijd overeen met wat gezegd wordt. 

Bekijk het volgende filmpje en maak de oefeningen op p 12 


Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Video

Non-verbaal actief luisteren
4. Lichaamscontact
  • aanrakingen = intense vorm van communiceren
  • Jonge kinderen = aanrakingen zijn een belangrijke voorwaarde voor hun welzijn/groei
  • Volwassenen = gevoelens voor aanrakingen

  • Een aanraking op een gepast moment = manier van je interesse/begrip tonen voor het verhaal van een ander
  • Tijdens emotioneel moment kan dit een sterk gebaar zijn 
  • Hangt af van de band die je hemt met de persoon
  • Blijf steeds respectvol en professioneel 
  • Gebruik je het te vaak = verlies van betekenis 

Slide 22 - Tekstslide

Non- verbaal actief luisteren
5. Knikken
  • Knikken = toont dat je het met de ander eens bent of dat je het verhaal volgt
  • Niet overdrijven = anders komt dit storend over

Slide 23 - Tekstslide

Non- verbaal actief luisteren
6. Stiltes 
  • Een goed gesprek heeft stille momenten nodig
  • Moment om gedachten en gevoelens even te ordenen en na te denken over wat reeds gezegd werd
  • Stilte kan er voor zorgen dat de ander het verhaal kan verder zetten

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Link

Wat is het verschil tussen horen en luisteren?

Slide 26 - Open vraag

Geef een voorbeeld van 'passief luisteren'

Slide 27 - Open vraag

Waarom is lichaamshouding belangrijk tijdens een gesprek?

Slide 28 - Open vraag

Waarom kunnen stiltes in een gesprek interessant zijn?

Slide 29 - Open vraag

Verbaal actief luisteren
1. Korte aanmoedigingen

-> hm, goh, ja
-> Blijk van interesse
-> vaak onbewust

Slide 30 - Tekstslide

Verbaal actief luisteren
3. Open vragen stellen 
-> belangstellende vragen stellen 
-> open vragen = nodigt de ander uit om een uitgebreid antwoord te geven
-> nodigt de ander uit om verder te vertellen 
-> gesloten vragen = geeft weinig of geen antwoorden

Slide 31 - Tekstslide

Verbaal actief luisteren
4. Reflecteren
-> Aandacht hebben voor lichaamstaal
-> Gevoelens achterhalen en erop reageren
-> reflecteren = het verwoorden/terugkoppelen van de gevoelens
-> gevoelens herkennen en benoemen = vraagt soms wat oefening

Slide 32 - Tekstslide

Verbaal actief luisteren
2. Parafraseren
-> herhalen wat de ander zegt
-> Vrijwel hetzelfde zeggen
-> De gesprekspartner voelt echt dat de ander luistert en moeite doet om het verhaal te begrijpen 
-> De andere kan de luisteraar zo ook corrigeren 

Wie is het spel 

Slide 33 - Tekstslide

Maak de oefeningen op p 18 - 21

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Link

Communiceren in conflictsituaties en omgaan met agressie

Slide 36 - Tekstslide

Wat zegt het begrip "agressie" jou?

Slide 37 - Woordweb

Wat zegt het begrip "conflict" jou?

Slide 38 - Woordweb

Wat is agressie en wat is een conflict?
Agressie = gedrag dat gericht is op het schaden of bedreigen van een ander, 
fysiek of emotioneel. 

Conflict = botsing of strijd tussen twee of meer partijen over meningen,
belangen, normen of waarden.

Slide 39 - Tekstslide

Waarom is goede communicatie belangrijk bij een conflict of agressie? 
-> Alle vormen van communicatie hebben invloed op hoe de andere reageert
-> Agressie lokt vaak agressie uit
-> Door bewust en respectvol te communiceren = escalatie voorkomen of beperken
-> Goede communicatie = verhoogt de kans op begrip = vermindert onnodige spanningen = draagt bij aan een veilige en constructieve sfeer

Slide 40 - Tekstslide

Vormen en signalen van agressie
-> Verbale agressie = schelden, dreigen, vernederen
-> Non - verbale agressie = lichaamstaal, intimiderend gedrag, dreigend gebaar
-> Fysieke agressie = aanraking, slaan, duwen, etc. 

-> Oorzaken: frustratie, machteloosheid, onbegrip, stress, een onveilige omgeving of eerdere ervaringen

-> Herkennen signalen = kan leiden tot eerder ingrijpen

Slide 41 - Tekstslide

Hulpmiddelen om conflicten en agressie te hanteren
1. Preventie (voorkomen) 
-> Creëer een open sfeer waar gevoelens, meningen, irritaties bespreekbaar zijn
-> Wees bewust van je eigen houding, toon en communicatie
-> Stel duidelijke grenzen en communiceer ze op een duidelijke manier
-> Zorg voor een veilige setting

Slide 42 - Tekstslide

Hulpmiddelen om conflicten en agressie te hanteren 
2. Actie
-> Blijf rustig
-> Gebruik een assertieve boodschap
-> Luister actief
-> Vermijd escalaties
-> Grenzen stellen
-> Bij fysieke agressie of ernstige dreiging: zoek hulp, verwijder jezelf of de ander uit de situatie, meld het incident

Slide 43 - Tekstslide

Hulpmiddelen om conflicten en agressie te hanteren
3. Nazorg
-> Besprek het incident
-> Reflecteer op je eigen handelen 
-> Zorg voor herstel: zowel voor de persoon in agressie als voor degenen die erdoor geraakt worden

Slide 44 - Tekstslide

Maak de oefeningen p 25 - 28

Slide 45 - Tekstslide

Slide 46 - Link

Leg uit wat een functioneringsgesprek is?

Slide 47 - Open vraag

Leg uit wat een evaluatiegesprek is?

Slide 48 - Open vraag

Wat is feedback?

Slide 49 - Open vraag

Waarom is feedback belangrijk?

Slide 50 - Open vraag

Hoe geef je opbouwende feedback?
4-stappenmodel:
  • Gedrag
  • Gedachten en gevoel
  • Gevolg
  • Gewenst

Slide 51 - Tekstslide

Hoe geef je opbouwende feedback?
4-stappenmodel:
  • Gedrag:
-> Wat heb je gezien of gehoord?
-> concreet en specifiek gedrag dat je ZELF hebt gezien of gehoord beschrijven

Slide 52 - Tekstslide

Hoe geef je opbouwende feedback?
4-stappenmodel:
  • Gedachten en gevoel:
-> Wat dacht en voelde je daarbij?

Slide 53 - Tekstslide

Hoe geef je opbouwende feedback?
4-stappenmodel:
  • Gevolg:
-> Wat was het effect van dit gedrag?

-> gevolg van dat gedrag op jou, op het team, op de zorgvrager

Slide 54 - Tekstslide

Hoe geef je opbouwende feedback?
4-stappenmodel:
  • Gewenst:
-> Wat zou je graag willen dat de ander (de volgende keer) doet? 



Slide 55 - Tekstslide