Opslag, uitscheiding, bescherming: 7.1 t/m 7.3

Thema 7: 
Opslag, uitscheiding 
en bescherming

7.1 - een constant inwendig milieu
7.2 - de lever
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Thema 7: 
Opslag, uitscheiding 
en bescherming

7.1 - een constant inwendig milieu
7.2 - de lever

Slide 1 - Tekstslide

Vandaag..
  • Start thema 7: opslag, uitscheiding, bescherming
    - werking van de lever en de nieren
    - functie van de huid
    - afweer

Leerdoelen: 
- Je kunt beschrijven hoe bij de mens een vrij constant inwendig milieu wordt gehandhaafd. 
- Je kunt de functies van de lever noemen. Ook kun je omschrijven wat hepatitis is. 

Slide 2 - Tekstslide

Inwendig en uitwendig milieu
Tussen alle cellen van weefsels bevindt zich
weefselvloeistof
  • Cellen nemen uit de weefselvloeistof zuurstof en voedingsstoffen op.
  • Cellen geven koolstofdioxide en afvalstoffen aan de weefselvloeistof af. 

Weefselvloeistof + bloedplasma (vocht in bloed) = het inwendige milieu
De omgeving hier omheen = het uitwendige milieu
De samenstelling van het inwendige milieu wordt gelijk gehouden.

Slide 3 - Tekstslide

Waar of niet waar?
De lucht in je longen valt onder het uitwendige milieu.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 4 - Quizvraag

Waar of niet waar?
Koolstofdioxide in een bloedvat valt onder het inwendige milieu.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 5 - Quizvraag

Opname en opslag
  • Opname uit het uitwendige milieu zorgt ervoor dat er geen tekort ontstaat in het inwendige milieu.  
  • Als er van een bepaalde stof teveel in het inwendige milieu aanwezig is kunnen bepaalde organen stoffen opslaan. 
    - de stof gaat dan uit het inwendige milieu, maar blijft wel in het lichaam. 
    - bij een tekort komen de stoffen weer terug in het inwendige milieu. 

Slide 6 - Tekstslide

Waar of niet waar?
Door opname van voedingsstoffen uit het darmkanaal ontstaat er geen tekort in het uitwendige milieu.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 7 - Quizvraag

Waar of niet waar?
Door de verbranding verdwijnen er stoffen uit het inwendige milieu.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 8 - Quizvraag

Waar of niet waar?
Vet kan een reservestof zijn. Wanneer je te veel vet in het inwendige milieu hebt kan dit worden opgeslagen.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 9 - Quizvraag

Opslag en uitscheiding
  • Lever en spieren zetten glucose om in glycogeen en slaan dit op. 
  • Vet wordt opgeslagen in gele beenmerg van pijpbeenderen en onder de huid. 
  • Bepaalde mineralen en vitaminen worden opgeslagen.
Eiwitten worden bij de mens niet opgeslagen! 

  • Bepaalde organen kunnen een teveel aan stoffen ook uitscheiden

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Welke stof wordt door de longen uitgescheden als daarvan te veel aanwezig is?
A
Water
B
Zuurstof
C
Koolstofdioxide
D
Eiwitten

Slide 12 - Quizvraag

Onverteerde voedselresten (a.k.a. poep) verlaten het lichaam. Is hier sprake van uitscheiding? Leg uit.

Slide 13 - Open vraag



De lever en de nieren zijn
ook uitscheidingsorganen.
 
- scheiden afvalstoffen uit
- nieren scheiden ook
water uit 

Slide 14 - Tekstslide

Opdrachten maken
Maak opdracht 1 t/m 3 van thema 7.

Werk daarna aan je plant & dieropdracht!

Slide 15 - Tekstslide

Vandaag..
  • Thema 7: opslag, uitscheiding, bescherming
    - werking van de lever en de nieren


Leerdoelen: 
- Je kunt beschrijven hoe bij de mens een vrij constant inwendig milieu wordt gehandhaafd. 
- Je kunt de functies van de lever noemen. Ook kun je omschrijven wat hepatitis is. 

Slide 16 - Tekstslide

Opdracht 2 
- Hoe heten de organen 1 t/m 10? 
- Welke organen zijn uitscheidingsorganen? 

Slide 17 - Tekstslide

De lever
Functies van de lever:
  • Zorgt voor constant glucosegehalte in het bloed. 
    Lever zet glucose om in glycogeen (even terug).
  • Uit eiwitten fibrinogeen vormen (nodig voor de
    bloedstolling). 
  • Vorming gal en opslaan gal in galblaas. Via de
    galbuis gaat gal naar de twaalfvingerige darm. 

Slide 18 - Tekstslide

  • Afbreken van afvalstoffen, zoals rode bloedcellen.
    (hierdoor ontstaan galkleurstoffen die bij gal komen.
    ontlasting hierdoor bruine kleur.)
  • Overtollige eiwitten afbreken. Hierbij onstaat
    giftige ureum. Wordt via bloed door de nieren
    uitgescheiden. 
  • Gifstoffen  uit bloed halen afbreken (alcohol, drugs,
    medicijnen). Onwerkzame gifstoffen van bloed
    naar nieren.  

Slide 19 - Tekstslide

De lever kan ontstoken raken door een virus --> hepatitis.
  • Hepatitis B besmetting via bloed, sperma, vaginaal vocht.
  • Verschijnselen zijn eerst mild, uiteindelijk kan er leverkanker of cirrose (afsterven lever) ontstaan.

Slide 20 - Tekstslide

Eva heeft een uur geleden drie boterhammen met aardbeien en suiker gegeten. Zij zit nu rustig in een stoel.

Hoe verandert bij haar het glycogeengehalte van de lever?
A
het daalt
B
het blijft gelijk
C
het stijgt

Slide 21 - Quizvraag

Een halfuur later gaat Eva 40 km fietsen op een racefiets. Zij eet hierbij niets.

Hoe verandert nu het glycogeengehalte van de lever?
A
het daalt
B
het blijft gelijk
C
het stijgt

Slide 22 - Quizvraag

Als bij een patiënt de galwegen verstopt zijn, kan de ontlasting bleek van kleur zijn.
Leg uit hoe dat komt.

Slide 23 - Open vraag

De nieren
Nier bestaat uit nierschors, niermerg en
nierbekken. 
  •  In nierschors en nierbekken uitscheiding
    van water, overtollige zouten, afvalstoffen.
    De verwijderde stoffen samen: urine
  • Urine wordt in nierbekken verzameld, via
    urineleiders afgevoerd naar urineblaas. 
  • Urineblaas voor tijdelijke opslag. Vanaf
    urineblaas door urinebuis afgevoerd. 

Slide 24 - Tekstslide

De weg van de urine, zet in de juiste volgorde:
1.
2.
3.
4.
Nierbekkens 
Urineleider
Urineblaas
urinebuis

Slide 25 - Sleepvraag

Samenstelling urine
De samenstelling van urine is niet altijd gelijk.
Inwendige milieu blijft gelijk door uitscheiding via urine. 

  • veel water gedronken: urine licht geel.
  • ureumgehalte hoog, wordt dit ook uitgescheiden via urine.

Slide 26 - Tekstslide

Verklaar hoe het ureumgehalte in het bloedplasma hoog kan zijn.

Slide 27 - Open vraag

Opdrachten maken
Maak opdracht 5, 7, 8, 11, 12 en 14

Klaar? Ga verder met je plant & dier opdracht!

Slide 28 - Tekstslide