De seizoenen LOWAN

De seizoenen
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Middelbare schoolvmbo gLeerjaar 1-3

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

De seizoenen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

de seizoenen

Slide 2 - Woordweb

Welke woorden ken je al over de seizoenen?
Wat is jouw favoriete seizoen? (zomer, herfst, lente of winter)

Slide 3 - Open vraag

Vertel waarom dit jouw favoriete seizoen is.
mei
januari
augustus
november
april
december
juni
maart
oktober
februari
juli
september

Slide 4 - Sleepvraag

Maanden van het jaar laten noemen. Daarna in de goede volgorde zetten.
Bovenaan beginnen met december.
Welke maand hoort bij welk seizoen?
januari
februari
maart
april
mei
juni
juli
augustus
september
october
november
december

Slide 5 - Sleepvraag

Eerst de plaatjes bespreken.
Welk seizoen komt na de zomer?
A
lente
B
winter
C
herfst

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat voor weer is het vaak in de herfst?
A
Het regent en de zon schijnt
B
De zon schijnt
C
Er is mist
D
Het regent en er is mist

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

bewolkt
mist/
mistig
zonnig
ijs 
(vriezen)

Slide 8 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

In de winter zijn de bomen kaal.
Ze hebben geen bladeren.
A
waar
B
niet waar

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat doen de vogels in de lente?
A
Ze maken een nest en leggen een ei
B
Ze slapen
C
Ze leggen een ei
D
Ze gaan naar een warm land

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat doen de mensen in de zomer als het mooi weer is?
A
wandelen
B
fietsen
C
zwemmen
D
wandelen, fietsen en zwemmen

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zinnen maken: hoe doe ik dat?
Werkwoorden in de tegenwoordige tijd
Bijvoorbeeld werken

Ik werk ( ik doe het, dus ik schrijf de stam)
Je of jij  werkt (jij doet het, dus ik schrijf stam + t)
Hij werkt (hij doet het, dus ik schrijf stam + t)
Zij/ jullie/ wij  werken (meervoud, dus ik schrijf stam + en)

Maar……….. Werk je? (als “je” achter de pv staat, schrijf je de stam)

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Jullie ...... nu les van de juf.
A
heb
B
hebt
C
heeft
D
hebben

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

zien
Ik .............een grote stad.

Slide 14 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Die jongen ..... mijn beste vriend.
A
ben
B
bent
C
is
D
zijn

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

zitten
Hij ........... op ISK.

Slide 16 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke vorm van het werkwoord past er in deze zin?

De jongens .... een potje voetbal.
A
spelen
B
speel
C
speelde
D
speelt

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 18 - Tekstslide

Eerst bespreken wat er allemaal op de plaat te zien is. Welke werkwoorden kom je tegen: wat doen de mensen op de plaat?
Maak 1 zin over de tekening

Slide 19 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies