B4.3 Serie en parallel

De deeltjes die zich vrij bewegen door de draden wanneer er elektriciteit aanwezig is, heten...
A
... protonen
B
... neutronen
C
... positronen
D
... elektronen
1 / 29
volgende
Slide 1: Quizvraag
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

De deeltjes die zich vrij bewegen door de draden wanneer er elektriciteit aanwezig is, heten...
A
... protonen
B
... neutronen
C
... positronen
D
... elektronen

Slide 1 - Quizvraag

Wat is de eenheid van de stroomsterkte?
A
Volt
B
Spanning
C
Ampère
D
Elektriciteit

Slide 2 - Quizvraag

Wat is de spanning van de elektriciteit in onze huizen?
A
20 kV
B
380 kV
C
10 kV
D
230 V

Slide 3 - Quizvraag

Is deze voltmeter correct aangesloten?
A
ja
B
nee

Slide 4 - Quizvraag

Wat weet je nog van serie en parallelschakelingen?
Bekijk de eigenschappen en sleep
deze naar de juiste schakeling.[
De stroomsterkte is altijd gelijk
De stroomsterkte verdeelt zich
De totale weerstand= 1/R1 + R2 + R3 En dan omgedraaid
De spanningen over lamp 3 is gelijk aan de spanning over de batterij.
De totale weerstand = R1 + R2 + R3 

Slide 5 - Sleepvraag

In een serieschakeling is...
A
de spanning overal gelijk
B
de spanning gelijk verdeeld
C
de stroomsterkte verdeeld
D
de stroomsterkte overal gelijk

Slide 6 - Quizvraag

Bij een parallelschakeling is de ....... constant
A
Stroomsterkte
B
Spanning
C
Weerstand
D
Geen van bovenstaande

Slide 7 - Quizvraag

Bij een serie schakeling van 10 lampjes gaat er eentje stuk.
Wat gebeurt er?
A
De oneven lampen gaan uit
B
De overige lampen blijven branden
C
De even lampen gaan uit
D
Alle lampen gaan uit

Slide 8 - Quizvraag

Wat is in de schakeling hiernaast de totale weerstand?
A
1Ω
B
3Ω
C
3,3Ω
D
9Ω

Slide 9 - Quizvraag

In de schakeling hiernaast gelden de
volgende gegevens:
R1 = 175 Ohm en R2 = 225 Ohm.
Hoe groot is Rv?
A
400Ω
B
50Ω
C
200Ω
D
225Ω

Slide 10 - Quizvraag

Zie de schakeling hiernaast. De totale stroomsterkte is 5 A.
Wat is de stroom in I1?
A
1,2 A
B
1,9 A
C
5 A
D
81 A

Slide 11 - Quizvraag

In de schakeling hiernaast gelden de
volgende gegevens:
R1 = 200 Ohm en R2 = 100 Ohm.
U 1 = 6 Volt
Hoe groot is I1?
A
0,03A
B
0,06 A
C
0,04 A
D
0,09 A

Slide 12 - Quizvraag

In de schakeling hiernaast gelden de
volgende gegevens:
R1 = 200 Ohm en R2 = 100 Ohm.
U = 12 Volt
Hoe groot is I?
A
0,12 A
B
0,06 A
C
0,04 A
D
2,48 A

Slide 13 - Quizvraag

In de schakeling hiernaast gelden de
volgende gegevens:
U1 = 7 Volt; R1 en R2 zijn aan elkaar gelijk.

Hoe groot is U?
A
7 V
B
14 V
C
0 V
D
14Ω

Slide 14 - Quizvraag

In de schakeling hiernaast gelden de
volgende gegevens:
R1 = 200 Ohm en R2 = 100 Ohm.
U = 12 Volt
Hoe groot is U1?
A
8 V
B
4 V
C
12 V
D
6 V

Slide 15 - Quizvraag

In de schakeling hiernaast gelden de
volgende gegevens:
U1 = 7 Volt; U = 15 Volt.

Hoe groot is U2?
A
7 V
B
15 V
C
22 V
D
8 V

Slide 16 - Quizvraag

Bereken de totale weerstand (vervangings- weerstand) van de schakeling hiernaast.
A
6,7 Ω
B
100 Ω
C
48,3 Ω
D
53,3 Ω

Slide 17 - Quizvraag

Bereken de totale weerstand (vervangings- weerstand) van de schakeling hiernaast.
A
6,7 Ω
B
100 Ω
C
48,3 Ω
D
53,3 Ω

Slide 18 - Quizvraag

Opdracht 
Geef je antwoord in de volgende slide

Slide 19 - Tekstslide


Slide 20 - Open vraag

Bereken
Rt

Slide 21 - Open vraag

Opdracht, geef je antwoord in de volgende slide

Slide 22 - Tekstslide


Slide 23 - Open vraag

Welk(e) lampje(s) gaat/gaan uit als ik lamp 2 los draai?
A
Lamp 1, 3 en 4
B
Lamp 1 en 3
C
Lamp 3
D
Lamp 1 en 4

Slide 24 - Quizvraag

Welk(e) lampje(s) gaat/gaan uit als ik lamp 1 los draai?
A
Lamp 2, 3 en 4
B
Lamp 4
C
Lamp 2 en 3
D
Geen van de lampjes

Slide 25 - Quizvraag

In de figuur hiernaast zijn alle lampjes van dezelfde soort.
De schakelaar wordt gesloten. Geef van onderstaande bewering aan of deze juist of onjuist is.

L2 brandt het minst fel.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 26 - Quizvraag


Kijk naar de schakeling hiernaast. Ga ervan uit dat alle lampjes gelijk zijn. Door lamp 1 loopt een stroom van 0,60 A. Hoe groot is de stroom door lamp 4?
A
0,60 A
B
0,40 A
C
1,80 A
D
Dat kun je met deze gegevens niet berekenen.

Slide 27 - Quizvraag


Kijk naar de schakeling hiernaast. Ga ervan uit dat alle lampjes gelijk zijn. Door lamp 1 loopt een stroom van 0,60 A. Hoe groot is de stroom door lamp 2?
A
0,60 A
B
0,30 A
C
1,20 A
D
Dat kun je met deze gegevens niet berekenen.

Slide 28 - Quizvraag

In de schakeling hiernaast heeft 2R een weerstand die twee keer zo groot is als die van R. De totale stroomsterkte is 5A
Wat is de stroomsterkte in I2?
A
1,7 A
B
3,3 A
C
5 A

Slide 29 - Quizvraag