Vraag en antwoorden

Vraag en antwoorden

1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nieuwe lesbewerkerNT2Secondary EducationAge 11

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Vraag en antwoorden

De invoer is erg kort, dus de les focust op eenvoudige vraagzinnen en korte passende antwoorden op A2-niveau.

Lesdoel

Ik kan in het Nederlands eenvoudige vragen stellen en passende antwoorden geven.

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een vraag?

Een vraag is een zin waarmee je informatie vraagt. (You ask a question to get information)


Je wilt iets weten van iemand anders. (You want to know things about someone or something)


Aan het einde staat vaak een vraagteken: ?

Deze slide heeft geen instructies

Vragen in het dagelijks leven

  • op school (at school)

  • in een winkel (in a shop)

  • thuis (at home)

  • op straat (on the street)

  • bij de dokter (at the doctor)

Leg kort uit dat vragen functioneel zijn: iets vragen, iets controleren, hulp vragen, informatie krijgen.

Woordenlijst

vraag - een zin waarmee je iets wilt weten

antwoord - wat je zegt of schrijft terug op een vraag

vraagteken - het teken ? aan het einde van een vraag

vraagwoord - een woord zoals wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe

ja/nee-vraag - een vraag waarop je met ja of nee kunt antwoorden

beleefd - vriendelijk en netjes in taal

informatie - wat je wilt weten of vertellen

Deze slide heeft geen instructies

Soorten vragen

Er zijn twee soorten:


  • ja/nee-vragen: Kom je morgen? (closed question)

  • vraagwoordvragen: Waar woon je? (open question)

Deze slide heeft geen instructies

Ja/nee-vragen

Bij een ja/nee-vraag is het antwoord vaak kort. (short answer)


  • Ja, dat klopt.

  • Nee, dat klopt niet.

  • Ja, graag.

  • Nee, dank je.

Benadruk dat het antwoord soms meer informatie kan hebben, maar dat korte antwoorden voor beginners een goed startpunt zijn.

Vraagwoorden

Veelgebruikte vraagwoorden:


5xW, 1xH


  • wie (who) – over een persoon

  • wat (what) – over een ding of idee

  • waar (where) – over een plaats

  • wanneer (when) – over tijd

  • waarom (why) – over een reden

  • hoe (how) – over een manier of toestand

Deze slide heeft geen instructies

Welk teken staat vaak aan het einde van een vraag?

A

een punt

B

een vraagteken

C

een komma

D

een streepje

Deze slide heeft geen instructies

Korte antwoorden (short answer)

Een goed antwoord past bij de vraag.


Waar woon je?

In Rotterdam.


Hoe heet je?

Ik heet Sami.

Wijs op het verband tussen vraagwoord en soort informatie in het antwoord.

Volledige antwoorden (full answer)

Je kunt ook in een hele zin antwoorden.


  • Waar woon je? → Ik woon in Rotterdam.

  • Wanneer begint de les? → De les begint om negen uur.

  • Waarom leer je Nederlands? → Ik leer Nederlands voor school.

Deze slide heeft geen instructies

Vraag en antwoord passen samen

wie → een persoon

waar → een plaats

wanneer → een tijd

waarom → een reden

hoe → een manier of gevoel


Het antwoord geeft dezelfde soort informatie als de vraag vraagt.

Deze slide heeft geen instructies

Welk antwoord past het best bij: 'Waar woon je?'

A

In België.

B

Om negen uur.

C

Omdat ik leer.

D

Mijn broer.

De afleiders horen bij andere vraagwoorden: wanneer, waarom en wie.

Welk antwoord past bij: Wat eet jij graag?

A

Michael Jackson

B

Lekker

C

Spaghetti

D

tafel

Deze slide heeft geen instructies

Welk antwoord past bij: Waar is Raina?

A

Op tafel

B

in huis

C

met met en vork

D

met de tas

Deze slide heeft geen instructies

Welk antwoord past bij: Hoe oud is Boris?

A

Met de fiets.

B

op de stoel.

C

10 jaar.

D

om twaalf uur.

Deze slide heeft geen instructies

Welk antwoord past bij: Wanneer gaan wij eten?

A

Om zes uur.

B

Met spaghetti.

C

Op school.

D

Met mes en vork.

Deze slide heeft geen instructies

Welk antwoord past bij: Wie kan goed zingen?

A

Op school

B

Een banaan

C

Op visite

D

Michael Jackson

Deze slide heeft geen instructies

Sleepvraag



Waar is dit?

Wat eten we?

Wie spreekt goed Nederlands?

Wanneer gaan we eten?

Deze slide heeft geen instructies

Wat hoort bij elkaar?

Wie- Boris, Raina, Michael Jackson (personen)


Wat- appels, tafel, stoel, schrift (dingen)


Waar- op school, in huis, in België, bij de visite (plaats)


Waarom- omdat...ik naar school ga, omdat hij dat niet lekker vindt (reden)


Wanneer- als ik klaar ben, als zij naar school gaan, als het zes uur is (tijd/ moment)

Deze slide heeft geen instructies

Wat hoort bij elkaar?

Hoe- met de fiets, met de auto, rechtop (manier)

Deze slide heeft geen instructies

Vraag zinnen oplezen

  • Wie loopt er naar school?

  • Wie komt op visite?

  • Wie is er jarig vandaag?

  • Wie maakt het eten?

  • Wie geeft de les?

  • Wie moet naar bed?

  • Wie eet een koekje?

  • Wie schrijft met de pen?

  • Wie tekent mooi?

Deze slide heeft geen instructies

Vraag zinnen oplezen

  • Wat leer jij op school?

  • Wat geeft de man?

  • Wat doe jij in huis?

  • Wat eet jij graag?

  • Wat vindt hij van deze les?

  • Wat neem jij mee naar school?

  • Wat doe je in het weekend?

  • Wat schrijven wij op?

  • Wat vind jij leuk?

Deze slide heeft geen instructies

Vraag zinnen oplezen

  • Waar is jouw school?

  • Waar loopt de man?

  • Waar staat zijn huis?

  • Waar gaan wij eten?

  • Waar is de les?

  • Waar is die winkel?

  • Waar ga jij naartoe?

  • Waar ga je in schrijven?

  • Waar moet ik naartoe?

Deze slide heeft geen instructies

Vraag zinnen oplezen

  • Wanneer begint school?

  • Wanneer komt opa?

  • Wanneer gaan wij naar huis?

  • Wanneer gaan wij eten?

  • Wanneer is de les?

  • Wanneer wil jij tekenen?

  • Wanneer is mama klaar met koken?

  • Wanneer heb jij gewonnen?

  • Wanneer komt de trein?

Deze slide heeft geen instructies

Vraag zinnen oplezen

  • Waarom moet ik naar school?

  • Waarom komt opa?

  • Waarom gaan wij naar huis?

  • Waarom wil hij niet eten?

  • Waarom vind jij de les stom?

  • Waarom tekent zij met een pen?

  • Waarom lopen jullie op straat?

  • Waarom doet hij zo gek?

  • Waarom moet ik werken?

Deze slide heeft geen instructies

Vraag zinnen oplezen

  • Hoe ga jij naar school?

  • Hoe heet jij?

  • Hoe ziet hij eruit?

  • Hoe gaan jullie op vakantie?

  • Hoe ga jij die test maken?

  • Hoe teken jij een boom?

  • Hoe oud is jouw zus?

  • Hoe groot is die hond?

  • Hoe warm is de koffie?

Deze slide heeft geen instructies

Even oefenen, wat hoort bij elkaar?

Vraag:


Hoe heet jij? Mijn broer/ zus is...

Waar woon jij? Ik woon op nummer...

Wanneer ga jij naar school? Ik ga nu naar ....

Wie is jouw broer/ zus? Ik heet...

Wat is jouw huisnummer? Ik ga morgen naar...

Waarom ga jij naar bed? Ik heet...

Deze slide heeft geen instructies

Beleefd vragen

In veel situaties wil je beleefd spreken.


  • Kunt u mij helpen?

  • Mag ik iets vragen?

  • Dank u wel.

  • Alstublieft.

Noem kort het verschil tussen informeel en formeel taalgebruik: je/jij tegenover u, zonder het te ingewikkeld te maken.

Voorbeelden uit situaties

  • In de winkel: Waar is de kassa?

  • Op school: Wanneer is de toets?

  • Bij de dokter: Waar heeft u pijn?

  • Op straat: Hoe kom ik bij het station?

Deze slide heeft geen instructies

Veelgemaakte fouten

  • Een antwoord past niet bij de vraag.

  • Het vraagwoord is verkeerd.

  • Er ontbreekt een vraagteken.

  • Het antwoord is te kort en onduidelijk.


Voorbeeld: Waar woon je? → Om drie uur. Dat past niet.

Gebruik dit als foutenanalyse, niet als oefening. Laat zien waarom een antwoord niet past bij de gevraagde informatie.

Samenvatting

Met vragen vraag je informatie.


Met antwoorden geef je passende informatie terug.


Let op:

  • het juiste vraagwoord

  • een passend antwoord

  • duidelijk en beleefd spreken

Deze slide heeft geen instructies

Welke vraag is het meest beleefd?

A

Waar is de kassa?

B

Hoe heet je?

C

Mag ik iets vragen?

D

Wanneer is de toets?

De correcte optie komt direct uit de slide over beleefd vragen.