1. Wissel onderwerp – lijdend voorwerp/ meewerkend voorwerp
2. Staat er een hulpwerkwoord in, neem dit over en pas vorm eventueel aan
3. Kijk naar de tijd van de hoofdzin en zet de vorm van to be in dezelfde tijd als waarin het hoofdwerkwoord staat
4. Vul aan met het voltooid deelwoord van het hoofdwerkwoord
5. Is het belangrijk te vermelden wie de ‘agent’ is, dan zet je dit achteraan in de zin, maar wel voor de tijdsbepaling!
6. Plaats de plaats & tijdsbepaling achteraan in de zin. Tijd mag ook vooraan.