betrekkelijk voornaamwoord mia

betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent

Slide 1 - Tekstslide

DOEL VAN DE LES
- betrekkelijk vnw
-mia
- aanwijzende, vragende, betrekkelijke en onbepaalde vnw
-voornaamwoordelijke bw
-bijzinnen

Slide 2 - Tekstslide

Wat ga je nu doen? Nakijken en maken huiswerk, 
toets en huiswerk in agenda schrijven
Nakijken huiswerk met antwoordbladen
Huiswerk:
Maken opdracht 6 en 7 blz. 66 en 67
Toets grammatica en spelling hoofdstuk 1 en 2 maandag 9 oktober

Slide 3 - Tekstslide

Voornaamwoorden
Aanwijzende voornaamwoorden: deze', 'die', 'dit', 'dat' en 'zo'n'
Betrekkelijke voornaamwoorden: 
1 - dat. ...
2 - die. ...
3 - wat. ...
4 - wie. ...
5 - welke (in de plaats van welke kan je ook altijd die gebruiken) ...
6 - hetgeen (in de plaats van hetgeen kan je ook altijd wat gebruiken)

Onbepaalde voornaamwoorden: iets, niets, alles, iedereen, iemand, niemand, andere(n), elk(e) en ieder(e)

Slide 4 - Tekstslide

betrekkelijk vnw
De meest gebruikte betrekkelijke voornaamwoorden zijn: 
die en dat.

Andere betrekkelijke voornaamwoorden zijn: wie, wat, hetgeen en welk(e).

Slide 5 - Tekstslide

MIA
De betrekkelijk voornaamwoorden wie en wat komen ook voor zonder antecedent. 
Ze zijn dan vervangbaar voor degene die of datgene wat.

In dat geval benoem je wie of wat als 
betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent (mia).

Slide 6 - Tekstslide

mia voorbeeld...

Wie dit leest, is gek (degene die). 
Wat daar staat, is vreemd (datgene wat).

Betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent (betr.vnw.m.i.a.) 

Slide 7 - Tekstslide

Voornaamwoordelijk bijwoord

- Bestaat uit twee delen 


Deel 1: bijwoorden (er, hier, waar, daar)

Deel 2: voorzetsel (in, aan, op, mee, naast)


Wat zijn dit voor woorden dan?

erheen, hiernaartoe, waarop 


Het vervangt een zinsdeel dat met een voorzetsel begint. 

Slide 8 - Tekstslide

Voornaamwoordelijk bijwoord als zinsdeel

Het voornamwoordelijk bijwoord vervangt een bijwoordelijke bepaling of voorzetselvoorwerp. 

Bijvoorbeeld: In kranten komen reclames. Daarin komen reclames. 

Slide 9 - Tekstslide

Soorten zinsdeelzinnen
  •  Onderwerpszin (ow-zin
  • Naamwoordelijk deel van het gezegde-zin (nwg-zin)
  • Lijdend voorwerpszin (lv-zin)
  • Meewerkend voorwerpszin (mv-zin)
  • Voorzetselvoorwerpszin (vv-zin)
  • Bijwoordelijke bijzin (bwb-zin)

Slide 10 - Tekstslide

Onderwerpszin
  • een bijzin die in een samengestelde zin een onderwerp is
  • begint met dat of of
  • begint met een betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent-> wie of wat
  • Onderwerpszin kun je vervangen door 1 of enkele woorden.

Slide 11 - Tekstslide

Onderwerpszin
  • Dat hij de bus mist, gebeurt bijna dagelijks
  • Dat gebeurt bijna dagelijks

  • Wie niet op tijd vertrekt, kan dat verwachten
  • Iemand Ikan dat verwachten

Slide 12 - Tekstslide

Onderwerpszin
         o                                                                         o-zin
  • Het gebeurt bijna dagelijks || dat hij de bus mist


Voorlopig onderwerp

Slide 13 - Tekstslide

Meewerkendvoorwerpszin
  • een bijzin die fungeert als meewerkend voorwerp
  • begint altijd met een betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent ->(aan, voor) wie

Hij vertelde het grapje aan wie daar aanwezig waren
Hij vertelde het grapje aan alle aanwezigen

Slide 14 - Tekstslide

voorzetselvoorwerpszin
  • een bijzin die fungeert als voorzetselvoorwerp
  • begint met dat of of
  • begint met een voorzetsel gevolgd door een betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent-> wie of wat

Slide 15 - Tekstslide

voorzetselvoorwerpszin
  • Ze was er benieuwd naar of ze nog lang moest wachten.

  • Ze was benieuwd naar wie er zou proberen voor te kruipen.


Slide 16 - Tekstslide

voorzetselvoorwerpszin

  • Zij ergert zich eraan dat ze moet wachten voor de kassa
  • Voorlopig voorzetselvoorwerp


Slide 17 - Tekstslide

gezegdezin
  • Alleen als de hoofdzin een koppelwerkwoord heeft
  • Gezegdezin = naamwoordelijk deel met pv
  • Vervang de bijzin door een woord/ woordgroepje --> je krijgt dan een enkelvoudige zin.


vb. Eindelijk is hij geworden, wat hij altijd al wilde zijn

       Eindelijk is hij dokter geworden.

       geworden= kww    -->   Hij wordt dokter (dokter=nwr)

Slide 18 - Tekstslide

nog een voorbeeld...
Zij is nog steeds zoals ze twintig jaar geleden was
Zij is nog steeds  ..................................
vervang "zoals ze twintig jaar geleden was" door woord: mooi
Zij is nog steeds mooi = naamw. deel van het gezegde

Dus: 
zoals ze twintig jaar geleden was = gezegdezin

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Video

oefenen met de bijzinnen...

Slide 21 - Tekstslide

Hoe herken je een hoofdzin?
A
Je kunt een woordje tussen onderwerp en lijdend vw zetten
B
Je kunt een woordje tussen onderwerp en persoonsvorm zetten
C
Je kunt geen woordje tussen onderwerp en pv zetten.

Slide 22 - Quizvraag

Benoem de bijzin tussen //:

/Wie nooit uitgaat/, ontgaat veel.
A
o-zin
B
mv-zin
C
lv-zin
D
bwb-zin

Slide 23 - Quizvraag

Benoem de bijzin tussen //:

/Wie het vindt/, mag het houden.
A
o-zin
B
mv-zin
C
lv-zin
D
bwb-zin

Slide 24 - Quizvraag

Staat er in elke zin een voegwoord?
A
Ja, die staat in alle zinnen.
B
Nee, alleen in een samengestelde zin.

Slide 25 - Quizvraag

Wie de hele waarheid wil kennen, moet vroeg opstaan.
A
ow-zin
B
bwb-zin
C
lv-zin
D
nw.deel-zin

Slide 26 - Quizvraag

/Omdat het bleef regenen/, werd het kampioenschap afgelast.

A
ow-zin
B
lv-zin
C
nw.deel-zin
D
bwb-zin

Slide 27 - Quizvraag

Hij zegt dat hij het niet gedaan heeft.
A
ow-zin
B
mv-zin
C
lv-zin
D
bwb-zin

Slide 28 - Quizvraag

Hij is eindelijk geworden wat hij altijd al wilde zijn.
A
ow-zin
B
mv-zin
C
bwb-zin
D
nw.deel-zin

Slide 29 - Quizvraag

Hij zegt /dat hij het niet gedaan heeft/
A
ow-zin
B
mv-zin
C
lv-zin
D
bwb-zin

Slide 30 - Quizvraag

Alle Nederlanders weten dat de Friezen een apart volk zijn.
A
nw.deel-zin
B
bwb-zin
C
ow-zin
D
lv-zin

Slide 31 - Quizvraag


Hij rekent erop dat zijn vader komt
A
bwb-zin
B
lv-zin
C
vzv-zin
D
bijv. bijzin

Slide 32 - Quizvraag

Mijn zus kiest voor Zorg en Welzijn, omdat ze dat een leuk vak vindt.
A
ow-zin
B
lv-zin
C
bwb-zin
D
mv-zin

Slide 33 - Quizvraag



Wie geen goede uitspraak van het Spaans heeft zal ik extra oefeningen geven.

A
Ond-zin
B
Mv-zin
C
Lv-zin
D
Bwb-zin

Slide 34 - Quizvraag

Snap je de bijzinnen?
Zo niet...wat vind je nog lastig?

Slide 35 - Open vraag

oefenen..
  • hoe vind je de site?
  • cambiumned 
  • grammatica
  • zinsdelen
  • samengestelde zinnen
  • succes!

Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Link

Slide 38 - Link

Slide 39 - Link

Slide 40 - Link