Verkeer groep 3 · Les 2 · Wie werkt er in het verkeer?

VERKEER · GROEP 3 · LES 2

Wie werkt er in het verkeer?

Tatuu! Wat doe jij bij een sirene?

1 / 15
volgende
Slide 1: Slide
newEditorVerkeerNT2BasisschoolISKGroep 1-4

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quiz en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min
Dit is niet oké

Introductie

Leerlingen leren wat ze doen als ze een sirene horen en een blauw zwaailicht zien: stoppen, op de stoep blijven en wachten, want er komt soms nog een. Ze herkennen de sirenes van de verschillende hulpdiensten en leren wie er in het verkeer werkt en helpt: de klaar-over bij school, de verkeersregelaar en de buschauffeur. Een interactieve les met kijkplaten, sleepvragen, doe-opdrachten en een briefje voor thuis. Deze les is onderdeel van de methode Veilig in het verkeer en sluit aan bij SLO kerndoel 35 en het VVN-thema Verkeerstekens en voorrangsvoertuigen.

Instructies

Voorbereiding (10 minuten)
- Print het werkblad 'Plekkenjacht rond school' uit.
- Print het briefje voor de ouders. 

Duur
Ongeveer 30 minuten in de klas, plus 20 minuten buiten, rondom de school.

Navigatie:
De pijltjestoets naar rechts is jouw navigatie in deze les. Deze activeert gifjes, laat tekst verschijnen en gaat door naar de volgende slide. Doorloop de les een keer in de Geef les-modus om te ervaren waar de activatie-momenten zitten.

Docentnotities
Bij elke slide staat extra informatie, het goede antwoord en vragen om dieper op de inhoud in te gaan.

Werkbladen

Onderdelen in deze les

VERKEER · GROEP 3 · LES 2

Wie werkt er in het verkeer?

Tatuu! Wat doe jij bij een sirene?

Les 2 van groep 3 in de leerlijn verkeer. In les 1 kozen de kinderen een veilige plek om over te steken. Nu gaat het om de mensen die in het verkeer werken: de ambulance, de brandweer en de politie met sirene en zwaailicht, de klaar-over, de verkeersregelaar en de buschauffeur.

Duur: ongeveer 35 minuten, plus de doe-opdracht op het plein.

Voorbereiding: zorg voor een hesje of een pet voor de "agent" bij de doe-opdracht, en stoepkrijt.

Dit ga je leren

Ik kan vertellen wat ik doe als ik een sirene hoor. En ik luister naar wie het verkeer regelt.

Lees het doel samen voor. Vraag: wie werkt er allemaal in het verkeer? Laat de kinderen een paar mensen noemen. Aan het eind van de les kijk je of ze er meer weten.

Wat komt eraan?

Tatuu! Een ambulance.

Laat de kinderen eerst hun ogen dichtdoen. Klik op het luidsprekertje en het geluid van een sirene klinkt.

Ogen open: wat hoorde je? Kijk dan samen naar de slide. Rechts flitst blauw licht. Wat komt eraan? Laat een paar kinderen raden: een ambulance, een brandweerauto, een politieauto?

Klik: daar komt een ambulance aanrijden, met blauw zwaailicht. Je hoort hem vaak eerder dan je hem ziet. Daarom is goed luisteren in het verkeer belangrijk.

Vraag door: wie heeft weleens een sirene gehoord? Wat deed jij toen? En wat deden de auto's? Veel kinderen kennen het geluid, maar weten niet goed wat ze moeten doen. Daar gaat deze les over.

Tatuu! Hij heeft haast.

Zie je blauw licht? Hoor je een sirene? Dan gaat hij voor.

de ambulance

de brandweer

de politie

Klik drie keer. Bespreek per voertuig waar hij naartoe gaat. De ambulance: iemand is ziek of gewond. De brandweer: er is brand, of iemand zit vast. De politie: er is iets gebeurd.

Met sirene en blauw zwaailicht heeft hij haast. Dan gaat hij voor: alle auto's, fietsers en voetgangers laten hem voorgaan, ook als het licht voor hen op groen staat. Rijdt een ambulance of politieauto zonder sirene en zwaailicht? Dan rijdt hij gewoon mee met het verkeer.

Verwachte fout: kinderen denken dat elke ambulance voorgaat. Vraag: hoor je de sirene? Zie je het blauwe licht? Alleen dan heeft hij haast.

Hoor je een sirene? Zo doe je het.

Stop!

Blijf op de stoep.

Wacht. Soms komt er nog een.

Kijk samen naar het gifje. Wat doet het meisje? Ze wil oversteken, maar ze hoort een sirene.

Ze stopt en stapt terug op de stoep, weg van de stoeprand. De ambulance rijdt voorbij. En dan? Er komt nog een politieauto! Daarom blijft ze wachten tot het weer stil is.

Klik drie keer voor de stappen.

1. Stop: niet meer oversteken, ook niet als je al bijna ging. Blijf op de stoep, een stukje van de stoeprand af.

2. Wacht tot alles voorbij is, want soms komen er meer achter elkaar.

3. Pas als het weer stil is, kijk je goed en steek je over.

Zit je op de fiets of de step? Ga aan de kant en stop.

Verwachte fout: "Ik ren snel over, dan ben ik er voor hij komt." Bespreek: een ambulance rijdt hard en kan niet snel stoppen.

Wie ben ik?

?
?
?

Raadspel. Lees per kaart het raadsel voor. Laat de kinderen eerst raden wie het is, en tik dan op het vraagteken: dan zie je wie het is en wat hij of zij doet.

Kaart 1: "Ik sta elke ochtend bij school. Ik heb een oranje hesje aan en een rond bordje in mijn hand. Ik help jou oversteken. Wie ben ik?" De klaar-over. Klaar-overs zijn vaak ouders die geleerd hebben hoe ze kinderen helpen. Zegt de klaar-over stop? Dan wacht je. Je loopt pas als hij of zij zegt dat het mag.

Kaart 2: "Ik sta midden op de kruising. Ik heb een pet op. Ik praat niet, maar ik geef tekens met mijn armen. Wie ben ik?" De verkeersregelaar. Dat is vaak een agent, of iemand met een hesje bij een feest of bij werk aan de weg.

Kaart 3: "Ik rijd elke dag hetzelfde rondje. Ik stop bij de halte, en dan mag jij instappen. Wie ben ik?" De buschauffeur. Een bus is groot en zwaar: hij kan niet snel stoppen.

Verwachte fout: kinderen denken dat de klaar-over "gewoon een mama" is en dat je niet hoeft te luisteren. Naar de klaar-over luister je altijd.

Kijk naar de verkeersregelaar

Arm omhoog?

Stop!

Hij wenkt?

Kom maar!

Ervaren

Laat alle kinderen gaan staan.

Een verkeersregelaar praat niet: hij geeft tekens met zijn armen. Doe het gebaar voor: een arm recht omhoog betekent stop, voor iedereen. Laat de kinderen het nadoen. Jij steekt je arm omhoog, de klas blijft stokstijf staan.

Wenkt hij met zijn hand? Dat betekent: kom maar, je mag. Laat de kinderen een paar keer reageren: arm omhoog is stilstaan, wenken is een stapje naar voren.

Belangrijk: wat de verkeersregelaar aangeeft, gaat voor op het stoplicht en voor op de borden.

Stop!

Achter de bus zie je niets.

Wacht tot de bus weg is

Bus weg?

Nu kun je kijken en oversteken.

Het jongetje is net uit de bus gestapt en wil naar de overkant. Wat zie je van hem? Alleen zijn hoofd! Kijk wat er onderlangs rijdt: een auto. Ziet het jongetje die auto? Nee, de bus staat ervoor. En de bestuurder ziet het jongetje ook niet.

Kijk verder: de bus knippert en rijdt weg. Nu ziet het jongetje de hele straat. Er komt nog een auto: hij wacht. Dan is de weg vrij en steekt hij recht over.

Klik: bus weg? Nu kun je kijken. Steek nooit voor of achter een bus langs over. Dat geldt ook voor een tram. Een bus of tram is groot en zwaar en kan niet snel stoppen. Een tram kan ook niet uitwijken, want hij rijdt over rails.

Vraag: wie gaat er weleens met de bus? Waar stap jij uit?

STOP

Even checken!

Weet jij wat je doet bij een sirene?

Deze slide heeft geen instructies

Wie heeft haast? Sleep!

Tatuu! Hij gaat voor.

Geen sirene.

Laat kinderen om de beurt een voertuig slepen en vertellen waarom. Let op het blauwe licht.

Goed: Voertuigen met blauw zwaailicht en een sirene gaan voor: de ambulance, de brandweerauto en de politieauto.
Fout: Soms wel een zwaailicht, maar nooit een sirene: de taxi, de bus en de tractor.

Verwachte fout: de taxi of de bus bij "hij gaat voor". Een taxi heeft een lampje op het dak en een bus is groot, maar ze hebben geen sirene en geen blauw zwaailicht. Een tractor heeft soms een oranje zwaailicht. Dat betekent: let op, ik ben groot of langzaam. Maar hij gaat niet voor.

Het is groen. De agent steekt zijn arm op. Wat doe jij?

A

Ik stop.

B

Ik loop. Het is groen.

C

Ik zwaai naar de agent.

Het lichtje voor de voetgangers is groen, maar midden op de weg staat een agent met zijn arm omhoog.

Goed: ik stop, want wat de verkeersregelaar aangeeft, gaat voor op het stoplicht.

Verwachte fout: "Ik loop, het is groen." Kinderen hebben geleerd dat groen lopen betekent. Leg uit: de agent ziet misschien iets wat jij niet ziet, bijvoorbeeld een ambulance die eraan komt. Daarom luister je naar de agent.

Doe-opdracht - agentje spelen

Speel op het plein verkeer.

Eén kind is de agent.

Arm omhoog? Iedereen stopt.

Hoor je een sirene? Ga aan de kant!

Ervaren op het plein.

Teken op het plein met stoepkrijt een kruising met stoepen. De meeste kinderen zijn auto's, fietsers en voetgangers. Eén kind is de agent in het midden, met een hesje of een pet.

De agent geeft tekens: arm omhoog is stop voor iedereen, wenken is kom maar. Wissel vaak van agent.

Maak af en toe zelf het geluid van een sirene: tatuu tatuu. Dan komt er een ambulance (een kind met een blauwe pion of een blauw doekje). Iedereen gaat aan de kant en wacht tot hij voorbij is, ook als er nog een achteraan komt.

Vraag na afloop: was het moeilijk om steeds naar de agent te kijken? Wat deed jij toen je de sirene hoorde?

Sleep het geluid naar de juiste hulpdienst.

geluid 1

geluid 2

geluid 3

am-bu-lance

brand-weer

po-li-tie




Exit ticket als sleepvraag. Laat elk geluid horen met de ronde knop, en laat een kind het gele kaartje ernaast naar de goede hulpdienst slepen. Vraag steeds: hoe weet je dat?

Goed: geluid 1 is de brandweer, geluid 2 is de politie, geluid 3 is de ambulance.

Verwachte fout: kinderen horen weinig verschil tussen de sirenes. Dat klopt: in Nederland klinken ze bijna hetzelfde. Wat ze ook horen: je stopt, blijft op de stoep en wacht, want er komt soms nog een.

Verkeerswoorden

de sirene - het geluid: tatuu tatuu

het zwaailicht - het blauwe licht op het dak

voorgaan - jij wacht, hij mag eerst

de klaar-over - helpt je bij school oversteken

de verkeersregelaar - geeft tekens met zijn armen

de bushalte - hier stopt de bus

Deze slide heeft geen instructies

VERKEER · GROEP 3

Goed gedaan!

De verkeerslessen van groep 3

L E S 1

Oversteken zonder zebrapad

L E S 2 · D E Z E L E S

Wie werkt er in het verkeer?

Meer verkeerslessen voor groep 1 tot en met 8?

Kijk op de kanaalstart van Veilig in het verkeer:

Dit was les 1: Oversteken zonder zebrapad

Klik op de link voor les 2: Wie werkt er in het verkeer? in deze serie.