5.1 gaswisseling

Hoofdstuk 5 Gaswisseling en uitscheiding
Voorkennisvragen/opdrachten:
1. Noem 1 voordeel van door je neus ademen t.o.v. door je mond ademen
2. Geef de formule van de verbranding van glucose
3. Hoe noemen we de stof waar zuurstof aan bind in de rode bloedcellen?

1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 5 Gaswisseling en uitscheiding
Voorkennisvragen/opdrachten:
1. Noem 1 voordeel van door je neus ademen t.o.v. door je mond ademen
2. Geef de formule van de verbranding van glucose
3. Hoe noemen we de stof waar zuurstof aan bind in de rode bloedcellen?

Slide 1 - Tekstslide

Lezen: Blz. 60 t/m 62 
Tekstbegripvragen:
1. Welke cellen vind je in het trilhaarepitheel?
2. Wat is het nut van de trilharen?
3. Wat zijn de kleinste onderdelen van je longen?
4. Wat is het nut van de kraakbeenringen in de bronchiën?
5. Wat is het nut van het spierweefsel rondom de bronchiolen? 


timer
6:00

Slide 2 - Tekstslide

Maken 
Opdracht 1 a, b, c, d
Opdracht 3 
timer
5:00

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Lesdoel
  • Je kunt beschrijven hoe zuurstof en koolstofdioxide in het bloed vervoerd worden en hoe zij opgenomen en afgegeven worden

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Transport van zuurstof

Slide 9 - Tekstslide

Transport O2
Hb + O2 ↔ HbO2
 
Reactie rechts (zuurstofbinding) wanneer:
 
  • veel O2 aanwezig is in een vloeistof / weefsel = hoge zuurstofspanning (pO2)
  • weinig CO2 aanwezig is in een vloeistof/ weefsel = lage koolstofdioxidespanning (pCO2)
  • relatief lage temperaturen
  • relatief basisch milieu 

Slide 10 - Tekstslide

Situatie in longblaasjes 
(zuurstofopname van hemoglobine)
  • hoge pO2
  • lage pCO2
  • relatief lage temperaturen
  • relatief basisch milieu
Situatie in andere weefsels
(zuurstofafgifte van hemoglobine)
  • lage pO2
  • hoge  pCO2
  • relatief hoge temperaturen (door dissimilatie)
  • relatief zuur milieu  (door veel CO2 van dissimilatie)

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Verzadigingskromme
zuurstofverzadiging = de waarde die aangeeft hoeveel procent van de hemoglobine in de rode bloedcellen zuurstof heeft gebonden.

Slide 13 - Tekstslide

Transport van koolstofdioxide
  • 70% wordt vervoerd als waterstofcarbonaatioonen (HCO3-) in het bloedplasma 
  • 23% bindt aan hemoglobine 
  • klein deel als CO2 in bloedplasma 

Slide 14 - Tekstslide

O2 en CO2 verplaatsen zich zo dat het verschil in druk in de longen en het bloed(plasma) zo klein mogelijk blijft.
Met welke term wordt een dergelijke verplaatsing van gasmoleculen aangegeven?
A
actief transport
B
difussie
C
osmose

Slide 15 - Quizvraag

Via welke vloeistof kunnen zuurstofmoleculen diffunderen naar de cellen?
A
Bloedplasma
B
Weefselvloeistof
C
Lymfe

Slide 16 - Quizvraag

De bron geeft schematisch een longblaasje met een longhaarvat van de mens weer. Vier plaatsen in het longhaarvat zijn aangegeven met P, Q, R en S. De pijlen geven de stroomrichting van het bloed aan.

Op welke van deze plaatsen bevindt zich zuurstof?
A
alleen op plaats R
B
alleen op de plaatsen Q en R
C
alleen op de plaatsen R en S
D
op de plaatsen P, Q, R en S

Slide 17 - Quizvraag

Verzadigingskromme
zuurstofverzadiging = de waarde die aangeeft hoeveel procent van de hemoglobine in de rode bloedcellen zuurstof heeft gebonden.

Slide 18 - Tekstslide

Temperatuur
Bij een hogere temperatuur verschuift de curve naar rechts.

Bij hogere temperaturen wordt makkelijker zuurstof afgegeven.

Slide 19 - Tekstslide

pCO2
Bij een hogere CO2 concentratie verschuift de curve naar rechts.

Bij meer CO2 wordt makkelijker zuurstof afgegeven.

Slide 20 - Tekstslide

pH
Bij een lagere pH waarde verschuift de curve naar rechts.

In een zuurder milieu wordt makkelijker zuurstof afgegeven.

Slide 21 - Tekstslide

Wat is de O2 verzadiging in de bovenstaande situaties?

Slide 22 - Tekstslide

Hoeveel % zuurstof wordt dus afgegeven aan de hartspier en aan het vetweefsel?

Slide 23 - Tekstslide

Bestudeer de afbeelding (BiNaS 83D)

Wat is waar?
A
Een hogere temperatuur leidt tot een betere verzadiging van Hb
B
Een lagere pH leidt tot een betere verzadiging van Hb
C
Als de temperatuur stijgt, kan er minder O2 binden aan Hb
D
Als er minder O2 bindt aan Hb, dan daalt de temperatuur

Slide 24 - Quizvraag

Bij zware inspanning kan de pH van het bloed dalen.

Het bloed vervoert bij 100 % verzadiging 200 ml O2 per liter bloed.

Stel dat in de beenspier met pO2 4 kPa de pH daalt van 7,6 naar 7,2.
Hoeveel ml zuurstof wordt er in de beenspier per liter bloed afgegeven?
A
30-40 ml O2/liter bloed
B
70-80 ml O2/liter bloed
C
120-130 ml O2/liter bloed
D
160-170 ml O2/liter bloed

Slide 25 - Quizvraag

Aan de slag!
- Lees de hele paragraaf 5.1 
- maken paragraaf 5.1: opgave 6, 7, 8 , 10 a t/m e

Slide 26 - Tekstslide