cross

H3 par. 3.1 Leven op het platteland

De tijd van monniken en ridders
Kastelen, kloosters en steden.
par. 3.1 Leven op het platteland
1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolvmbo t, mavo, havoLeerjaar 1

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

De tijd van monniken en ridders
Kastelen, kloosters en steden.
par. 3.1 Leven op het platteland

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
  • Je kunt drie redenen noemen waardoor het Romeinse Rijk uiteenviel en nieuwe koninkrijken ontstonden.
  • Je kunt uitleggen waarom mensen rond  op een domein gingen wonen.
  • Je kunt uitleggen hoe een domein eruit zag en wie er woonden.
  • Je kent de begrippen en jaartallen uit deze paragraaf.

Slide 2 - Tekstslide

Het Romeinse Rijk valt uit elkaar
Eeuwenlang was het Romeinse Rijk erg groot en machtig.

In de 4e eeuw ontstonden er steeds grotere problemen, namelijk:

Slide 3 - Tekstslide

Het Romeinse Rijk valt uit elkaar
2. Door de hoge belastingen, hielden veel boeren niet genoeg geld over om zelf van te leven. Ze verlieten hun boerderijen: akkers bleven onbewerkt, voedselproductie daalde en dus minder belasting.

Slide 4 - Tekstslide

Het Romeinse Rijk valt uit elkaar

1. Het leger was eigenlijk te klein (300.000 man) om alle grenzen van het rijk goed te bewaken.

Slide 5 - Tekstslide

Het Romeinse Rijk valt uit elkaar
3. Opvolging van de keizer: Romeinen vochten steeds vaker onderling, als er een nieuwe keizer moest komen. Tijdens zo'n ruzie werd het rijk niet goed bestuurd.

Gevolg: in 395 werd het Romeinse Rijk in tweeen gesplitst:
- West-Romeinse Rijk met een eigen keizer (tot 476 bestaan).
- Oost-Romeinse Rijk met een eigen keizer (tot 1453 bestaan).

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Volksverhuizingen
  • Aan het West-Romeinse Rijk kwam in 476 een einde door al deze problemen.
  • Daarnaast trokken regelmatig Germaanse volken het West-Romeinse Rijk binnen: op zoek naar nieuwe plek om te wonen of om te plunderen.

Slide 8 - Tekstslide

Volksverhuizingen
  • Volken vluchtten voor de Hunnen, een volk uit Azie dat plunderend door Europa trok.
  • Deze grote verplaasting van Germaanse volken noemen we de volksverhuizingen.

Slide 9 - Tekstslide

De Hunnen waren gewelddadig en joegen andere volken het Romeinse Rijk in. 
De zwakke verdediging en de andere volken (barbaren) zorgden ervoor dat de Romeinse keizer werd afgezet.

Slide 10 - Tekstslide

Einde West-Romeinse Rijk
  • Het Romeinse leger was niet sterk genoeg om de grenzen van het West-Romeinse Rijk te verdedigen. 
  • De Romeinse keizer kreeg steeds minder macht.
  • In 476 zette het Germaanse stamhoofd Odoaker de laatste West-Romeinse keizer af:
  • Einde van het West-Romeinse Rijk.

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

476 na chr. het einde

Slide 13 - Tekstslide

Wat is geen oorzaak voor het verdwijnen van het West-Romeinse Rijk?
timer
0:20
A
Volksverhuizingen
B
Te klein leger
C
Slecht bestuur
D
Ontstaan Oost-Romeinse Rijk

Slide 14 - Quizvraag

Wat zie je op de kaart?
timer
0:20
A
Splitsing in West- en Oost- Romeinse Rijk
B
De val van het Oost-Romeinse Rijk
C
De val van het West-Romeinse Rijk
D
De volksverhuizingen

Slide 15 - Quizvraag

Het begrip dat bij dit plaatje past is ...
timer
0:20
A
West Romeinse Rijk
B
Volksverhuizingen
C
Frankische rijk
D
Romeinse cultuur

Slide 16 - Quizvraag

Welk deel van het Romeinse Rijk is blijven bestaan tot 1453?
timer
0:15
A
West Romeinse Rijk
B
Oost Romeinse Rijk

Slide 17 - Quizvraag

Gevolgen
  • Overal in Europa stichtten Germanen nieuwe koninkrijken.
  • Bruggen en wegen werden niet meer onderhouden.
  • Bijna alle handel verdween.
  • Europa werd (weer) een landbouwsamenleving.

De middeleeuwen zijn begonnen: 500 tot 1500.

Slide 18 - Tekstslide

Schrijf 1 gevolg op van het verdwijnen van het West-Romeinse Rijk.
timer
1:00

Slide 19 - Open vraag

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Video

Onveilige tijd
  • Tijdens de volksverhuizingen plunderden was er in West-Europa voortdurend oorlog: steden werden geplunderd en reizigers beroofd.
  • Bijna geen handel meer, munten niet meer gebruikt.
  • Veel mensen vertrokken naar het platteland: veiliger en meer voedsel.

Slide 22 - Tekstslide

Platteland 
  • Om veilig op het platteland te kunnen wonen, zochten veel kleine boeren bescherming bij een grotere boer in de buurt.
  • In ruil voor die bescherming moesten de kleine boeren hun grond afstaan aan de machtige boer.
  • Zo kregen sommige boeren veel grond in bezit: ze werden heer van een domein
  • De boeren werden horigen.

Slide 23 - Tekstslide

Domein
  • Bestond uit:
  • (versterkte) boerderij van de heer
  • huizen van boeren
  • een kerk
  • landbouwgrond
  • bossen
  • soms een werkplaats of een molen

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Domein bestond uit 3 delen:
  • 1.. Een deel van de grond gebruikte de heer zelf.
  • 2. Op het andere deel woonden boeren die in dienst waren van de heer: horigen.
  • 3. Woeste gronden, bijv. bos

Slide 26 - Tekstslide

Horigen
  • Waren niet vrij.
  • Mochten niet zonder toestemming van de heer van het domein af.
  • Pacht betalen voor gebruik van het land.
  • Herendiensten verrichten. 

Slide 27 - Tekstslide

Herendiensten
  • Een of twee dagen per week op het land van de heer werken, bijv. ploegen.
  • Hoeve van de heer onderhouden, bijv. hek repareren.

Slide 28 - Tekstslide

Hofstelsel
Dit hele stelsel van heren, horigen en herendiensten noemen we het hofstelsel.

Alles draaide om het hof (de hoeve) van de heer.

Slide 29 - Tekstslide

Vrije boeren
  • Niet alle boeren waren horigen geworden.
  • Sommige boeren waren nog vrij.
  • Zij hadden eigen grond.
  • Als vrije boer moest je verplicht meevechten in het leger van de koning.
  • De wapens moest jezelf betalen.

Slide 30 - Tekstslide

Wat zijn de gevolgen van het verdwijnen van het West-Romeinse Rijk? Noem er 1
timer
1:00

Slide 31 - Open vraag

Wie was de baas van een domein?
timer
0:20
A
Een horige
B
Een vrije boer
C
Een heer
D
De Romeinse keizer

Slide 32 - Quizvraag

Waaruit bestond een domein?
timer
0:20
A
Huizen van horigen
B
Hoeve van de heer
C
Landbouwgrond
D
Alle antwoorden zijn juist.

Slide 33 - Quizvraag

In het hofstelsel:
timer
0:20
A
geeft de heer bescherming aan de horige
B
moesten horigen herendiensten verrichten
C
geeft de horige een deel van de opbrengst van het land aan de heer
D
helpt de heer de horige op het land tijdens de oogsttijd

Slide 34 - Quizvraag

Het hofstelsel had als voordeel dat 'hij' zelf niet op het land hoefde te werken.

Wie is in bovenstaande zin 'hij'?
timer
0:20
A
Een horige
B
Een heer

Slide 35 - Quizvraag

Hoe noemen we de klusjes die de horige moest doen voor de landheer?
timer
0:20
A
Slavenarbeid
B
pacht
C
klusjes
D
herendiensten

Slide 36 - Quizvraag

Wat zijn herendiensten?
timer
0:20
A
Zo af en toe eens op bezoek gaan bij de heer
B
Klusjes doen voor de heer of het klooster
C
Gratis op het land van de heer wonen
D
Bescherming geven aan de horigen

Slide 37 - Quizvraag

Deze boer moest veel herendiensten doen en mocht niet van het domein af:
timer
0:20
A
Horige boer
B
Vrije boer

Slide 38 - Quizvraag

Welke plicht had een vrije boer?
timer
0:20
A
In oorlogstijd op het land van de koning werken
B
In oorlogstijd in het leger van de koning vechten

Slide 39 - Quizvraag

Schrijf 2 dingen op die je vandaag geleerd hebt.

Slide 40 - Open vraag

Wat vind je nog lastig?

Slide 41 - Open vraag

Aan de slag
Wat? Eerst ga je de tekst van par. 3.2  lezen  en daarna maak je de opdr. van par. 3.2 tot de toepassingsopdracht.
Hoe? Alleen 
Hulp? Bij je buurman/buurvrouw. Kom je er samen niet uit? Dan bij je docent. 
Tijd? Tot het einde van de les. 
Klaar? Dan ga je de toepassingsopdracht maken. Daarna werk je de leerdoelen uit van par. 3.2. Je kunt ook de TestJezelf maken in SOM.

Slide 42 - Tekstslide