instaptoets Duits

instaptoets Duits A1 - A2
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

Onderdelen in deze les

instaptoets Duits A1 - A2

Slide 1 - Tekstslide

Wanneer gebruik je in het Duits een hoofdletter?

Slide 2 - Woordweb

Duitsland
Oostenrijk
Zwitserland 
Liechtenstein

Slide 3 - Sleepvraag

Zwakke werkwoorden
Vul de juiste vorm van het werkwoord in:
wohnen / wonen: ich ...

Slide 4 - Open vraag

Stap 4 - uitgang achter de stam: Welke uitgang hoort bij welk persoonlijk voornaamwoord? Sleep de blauwe vakjes naar de rode.
ich
du
er / sie / es
wir
ihr
sie / Sie
st
t
en
t
en
e

Slide 5 - Sleepvraag

Zwakke werkwoorden
Vul de juiste vorm van het werkwoord in:
arbeiten / werken er ...

Slide 6 - Open vraag

Vertaal:
jullie kopen
kaufen (= kopen)
A
ihr kauft
B
sie kauft
C
er kauft
D
du kauft

Slide 7 - Quizvraag

der
die
Opa
Oma
Vater
Bruder
Mutter
Tante
Cousin
Cousine
Schwester
Onkel

Slide 8 - Sleepvraag

Het werkwoord haben
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
habe
hast
hat
haben
habt
haben

Slide 9 - Sleepvraag

Het werkwoord sein
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
bin
bist
ist
sind
seid
sind

Slide 10 - Sleepvraag

Het werkwoord werden
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
werde
wirst
wird
werden
werdet
werden

Slide 11 - Sleepvraag

ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
werdet
seid
habt
wird
ist
bin
haben
hast

Slide 12 - Sleepvraag

.................. du müde?

Slide 13 - Open vraag

............... du Zeit für mich?

Slide 14 - Open vraag

VERTAAL: das Aussehen:
Zwillinge haben das gleiche Aussehen.

Slide 15 - Open vraag

VERTAAL: prüfen:
Wir sollen prüfen, ob alles stimmt

Slide 16 - Open vraag

VERTAAL: das Fahrrad:
Ich gehe mit dem Fahrrad zur Schule

Slide 17 - Open vraag

VERTAAL: genau:
Genau, dass stimmt

Slide 18 - Open vraag

Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zin?
Haar moeder heet Agnes
A
haar
B
moeder
C
heet
D
Agnes

Slide 19 - Quizvraag

Bezittelijk voornaamwoord:
vertaal: haar
A
unser
B
euer
C
ihr
D
sie

Slide 20 - Quizvraag

Bezittelijk voornaamwoord:
vertaal: mijn
A
sein
B
ihr
C
mein
D
dein

Slide 21 - Quizvraag

Bezittelijk voornaamwoord:
vertaal: uw
A
Ihr-
B
ihr-
C
dein
D
euer

Slide 22 - Quizvraag

Kies het juiste woord.

(jouw) ... Kaninchen (konijn)
A
dein
B
deine
C
das
D
mein

Slide 23 - Quizvraag

Hoe worden de puntjes op een klinker genoemd in het Duits?
A
een trema
B
gewoon puntjes
C
een umlaut
D
hoofdletter

Slide 24 - Quizvraag

Hoe wordt de "u" in het Duits uitgesproken?
A
als een lange uu
B
als een korte u
C
als een oe
D
als een oo

Slide 25 - Quizvraag

Hoe wordt in het Duits de klank "eu" uitgesproken?
A
zoals in het Nederlands
B
als een "uu"
C
als een "oi"
D
als een "au

Slide 26 - Quizvraag