Medicatie Injecteren

Injecteren
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 4 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Injecteren

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Terugblik vorige les 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesinhoud
  • Waarom injecteren?
  • Verschillende toedieningsvormen
  • Voorkennis
  • Subcutane injectie
  • Intramusculaire injectie
  • Prikaccident 



Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoelen 
  • Doel van injecteren 
  • Je weet wat een subcutane injectie is, kent de benodigde materialen en weet hoe je de injectieplaats moet bepalen.
  • Je kent de stappen om een subcutane injectie toe te dienen met de loodrechttechniek en de huidplooitechniek.
  • Je weet wat een intramusculaire injectie is, kent de benodigde materialen en weet hoe je de injectieplaats moet bepalen.
  • Je kent de stappen om een intramusculaire injectie toe te dienen met de rangeertechniek en de depotwisselingstechniek.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat doen we bij injecteren?
Inbrengen van een lichaam vreemde stof nl. een vloeibaar geneesmiddel op voorschrift van een arts d.m.v. een steriele spuit en een steriele holle naald in weefsels

Parenterale toediening

Slide 5 - Tekstslide

Parenteraal is de toedieningsvorm van geneesmiddelen of voeding anders dan via het maag-darmstelsel, anders dan enteraal.
Waarom injecteren?

Slide 6 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Doel van injecteren
Waarom injecteren?
- Snellere inwerking door snellere resorptie
- Lokale inwerking
- Als de toediening langs orale weg niet mogelijk is

- Genezend (Corticosteroïden)
- Verdovend (morfine)
- Voorkomend (griepvaccinatie/ fragmin)

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Op welke manieren kan je injecteren?

Slide 8 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Verschillende toedieningsvormen

Slide 9 - Tekstslide

Meestal wordt de intracutane injectie gebruikt voor diagnostische doeleinden, zoals bij allergieonderzoeken, en de Mantoux.
Waar prik je met IM injecteren?
A
ader
B
bot
C
huid
D
spier

Slide 10 - Quizvraag

Aspireren doe je om te kijken of de injectienaald per ongeluk in een bloedvat is terechtgekomen. De kans dat je perongeluk een bloedvat aanprikt in de bil in plaats van de spier is zeer groot. Daarom doe je altijd wanneer je de naald hebt geïnjecteerd even aspireren. Dit geldt trouwens alleen voor injecties in de bil.
Bij welke injectie kan je 45 en 90 graden injecteren
A
intramusculair
B
subcutaan
C
intraveneuze
D
insuline injecteren

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij subcutaan injecteren, dan injecteer je ...
A
In de spier
B
in de huid
C
in een ader
D
in het onderhuidsweefsel

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Op welke plaatsen mag je intamusculair injecteren?
A
buik, bovenbeen en bil
B
bovenarm, bil en buik
C
bovenarm, bilspier, bovenbeen
D
onderarm, bilspier en bovenbeen

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waarvoor dient de rangeertechniek bij het i.m. injecteren?
A
niet terugvloeien medicatie
B
minder beschadiging aan huid
C
niet lekken van bloed
D
rangeertechniek gebruik je bij s.c. injectie

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

waar aan het lichaam mag je niet subcutaan injecteren?
A
in de buik
B
in de bovenarm
C
in de onderarm
D
in het been

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer je een medicijn snel wil laten werken, hoe kan je het dan het best toedienen?
A
Oraal toedienen
B
Rectaal toedienen
C
Injecteren
D
Plaatselijke toediening

Slide 16 - Quizvraag

Een medicijn werkt het snelst als het in het bloed terecht is gekomen. Je kan dan dus het best het medicijn injecteren in de bloedbaan. Het medicijn zit dan direct in het bloed en gaat meteen aan het werk.

Bij intramusculaire injecties vindt de inspuiting (injectie) plaats in het spierweefsel. De vloeistof wordt sneller (binnen 15-20 minuten) in de bloedsomloop opgenomen dan na een subcutane injectie.
welke spier is geschikt voor het injecteren van grotere hoeveelheden

Slide 17 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

timer
1:00
Als ik denk aan s.c. injecteren, dan denk ik aan.....

Slide 18 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Medicijn spuit klaar maken

-naam en geboortedatum van de cliënt
-vervaldatum/houdbaarheid
-wanneer van toepassing: kleur en substantie
-vergelijk het medicijn met de toedienlijst:
naam van het medicijn
manier van toedienen
dosering
datum en tijdstip van toediening
-Voer wanneer nodig de dubbele controle uit volgens de afspraken binnen de organisatie.
Benodigdheden

Toedienlijst
gaasjes /watten 
desinfectans alcohol 70%
toedieningsetiket
flacon of ampul met voorgeschreven medicijn
flacon met het voorgeschreven oplosmiddel (als het medicijn moet worden verdund of opgelost)
steriele spuit
steriele opzuignaald
naaldencontainer 
pleister

Slide 19 - Tekstslide

Leg verder de volgende materialen klaar:
de toedienlijst;
medicijnen;
spuit;
opzuignaald;
watten;
desinfectans;
pleister;
naaldencontainer.
Subcutane injectie
Een subcutane injectie geef je in het onderhuis vetweefsel, de subcutis.

Opgenomen door bloedvaatjes in het vetweefsel.

Voorbeelden van geneesmiddelen die subcutaan worden gegeven zijn heparine en insuline

Slide 20 - Tekstslide

Heparine zorgt ervoor dat bloed minder makkelijk samenklontert (antistollingsmedicijn).
Specifieke aandachtspunten
  • Niet masseren
  • De juiste injectieplaats bepalen
  • Roteren, minimaal 1 cm van vorige injectieplaats verwijderd

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Complicaties
  • Abcesvorming
  • Weefselnecrose
  • Allergische reactie 

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Benodigdheden
Keuze van naald wordt bepaald door de injecteertechniek

De volgende naalden kunnen worden gebruikt:
- Voor loodrechte subcutane injecties: 5-12 mm;
- Voor injecties met huidplooitechniek: 19-32 mm;
- Voor subcutane injecties bij kinderen (met de huidplooitechniek): 5, 6, 8, 10 of 12 mm.

Slide 23 - Tekstslide

We kunnen de volgende naaldlengten gebruiken:

voor loodrechte subcutane injecties: 5 tot 12 mm;
voor injecties met de huidplooitechniek: 19 tot 32 mm;
voor subcutane injecties bij kinderen (met de huidplooitechniek): 5, 6, 8, 10 of 12 mm.

De lengte van de naald wordt voor zorgvragers met diabetes die één of meerdere keren per dag insuline spuiten vaak bepaald door de diabetesverpleegkundige. 

Het is belangrijk om een andere naaldlengte te gaan gebruiken als een zorgvrager veel gewicht verliest of juist veel aankomt.
Overige benodigdheden
  • de toedienlijst;
  • medicijnen;
  • spuit;
  • opzuignaald;
  • gaasje
  • pleister
  • naaldencontainer

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Injectieplaats bepalen
Voorkeurslocaties voor het geven van een subcutane injectie zijn:

  • de vetkussentjes aan de buitenzijde van de bovenarm;
  • het vet aan de buitenkant van het bovenbeen;
  • het vet op de buik, rondom de navel;
  • de billen.

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je prikt niet in:

  • gebied met oedeem/trombose;
  • verlamde ledematen;
  • ledematen met infuus of shunt;
  • te opereren of geopereerd gebied;
  • ontstoken gebied;
  • wondjes of eczeem;
  • het gebied rond een stoma;
  • de buurt van grote bloedvaten;
  • bestraald gebied.

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 27 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 28 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Intramusculaire injectie
Bij een intramusculaire injectie dien je een geneesmiddel toe in spierweefsel. 

Opgenomen via kleine bloedvaatjes in de spier.

De opname verloopt sneller dan bij een subcutane injectie. 

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Specifieke aandachtspunten
  • Vermijd intramusculaire injecties bij cliënten die antistollingsmiddelen gebruiken.
  • Lees de bijsluiter en dien het medicijn toe volgens voorschrift.
  • De zuiger terugtrekken na het injecteren (BIL)
  • Medicijnen langzaam injecteren

Slide 30 - Tekstslide

Speciale aandachtspunten
We moeten bij het toedienen van intramusculaire injecties op een aantal dingen letten:
je moet de injectiespuit altijd vasthouden alsof het een pen is. Op die manier voorkom je dat je per ongeluk de zuiger van de gevulde injectiespuit aanraakt;
je kan de injectienaald tot het einde van de naald in de huid brengen. De injectienaald moet namelijk de spier bereiken;
de zuiger van de injectiespuit moet bij injecties in de bilspier na het injecteren worden teruggetrokken om te controleren of de naald niet in een bloedvat zit. Dit heet aspireren;
je injecteert de medicijnen langzaam (ongeveer 10 ml/sec).
Complicaties
  • Hematoomvorming.
  • Aanprikken van een bloedvat. 
  • Aanprikken van de grote beenzenuw (nervus ischiadicus).

Slide 31 - Tekstslide

Complicaties die bij een intramusculaire injectie kunnen optreden, zijn:
hematoomvorming. Dit is het ontstaan van een blauwe plek door een bloeding in de opperhuid van de zorgvrager;
het aanprikken van de grote beenzenuw (nervus ischiadicus).
het aanprikken van een bloedvat. In dit geval moet je de naald verwijderen en een nieuwe injectie klaarmaken. Dien deze injectie op een andere plaats toe;
Benodigdheden
Bij het uitkiezen van de naaldlengte moet je rekening houden met de dikte van de bind- weefsellaag onder de huid.

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Overige benodigdheden
  • de toedienlijst;
  • medicijnen;
  • spuit;
  • opzuignaald;
  • watjes
  • desinfectans
  • pleisters
  • naaldencontainer

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Injectieplaats bepalen
Intramusculaire injecties moet je toedienen in een spier met voldoende spiermassa:
  • de bovenarmspier (musculus deltoideus)
  • de bilspier (musculus gluteus maximus)
  • de bovenbeenspier (musculus rectus femoris)


Geschikte injectiegebieden zijn bij kinderen:
Tot 2 jaar: de dijbeenspieren (vastus lateralis of rectus femoris)
Vanaf 2 jaar: de bovenarmspier (deltoïdeus)
Injecteer bij zuigelingen en peuters niet in de bil.

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je prikt niet in:

  • gebied met oedeem/trombose;
  • verlamde ledematen;
  • ledematen met infuus of shunt;
  • te opereren of geopereerd gebied;
  • ontstoken gebied;
  • wondjes of eczeem;
  • het gebied rond een stoma;
  • de buurt van grote bloedvaten;
  • bestraald gebied.

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat te doen bij prikaccident? 
  • Prikaccidentprotocol hanteren
  • Laat de wond goed doorbloeden en uitspoelen onder de kraan
  • Desinfecteren
  • Aard accident beoordelen of er een risico bestaat op infectie (hygiënist, bedrijfsarts)

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 39 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Rangeertechniek 
De rangeertechniek noemen we ook wel de zigzagtechniek. 
We gebruiken deze injectietechniek om irritatie door de ingespoten medicijnen bij de zorgvrager te voorkomen. 
De techniek gebruiken we bij etsende en bij stroperige vloeistoffen. Stroperige vloeistoffen kunnen namelijk terugvloeien. 
Dit kan bij de zorgvrager leiden tot:

pijn aan het subcutane weefsel;
beschadiging van het subcutane weefsel.
Met de rangeertechniek kunnen we dit voorkomen.

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 41 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Depotwisselingstechniek 
Wanneer je de hoeveelheid van een injectie over twee injecties op twee verschillende plaatsen verdeelt, dien je een depotinjectie toe. 

Dit doen we bijvoorbeeld wanneer de hoeveelheid in te spuiten vloeistof erg groot is. 

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zijn er nog vragen?

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies