CP4, H2.1: quiz prefix / suffix

QUIZ 

Ken je de betekenis van de volgende prefixen en suffixen?

Betekenissen afleiden uit voorvoegsels en achtervoegsels (prefixen en
suffixen).


Nederlandse woorden hebben vaak voor- of achtervoegsels. Als je die kent, kun je de betekenis van een woord makkelijker afleiden. 

1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 1-4

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

QUIZ 

Ken je de betekenis van de volgende prefixen en suffixen?

Betekenissen afleiden uit voorvoegsels en achtervoegsels (prefixen en
suffixen).


Nederlandse woorden hebben vaak voor- of achtervoegsels. Als je die kent, kun je de betekenis van een woord makkelijker afleiden. 

Slide 1 - Tekstslide


Wat is de betekenis van het prefix "inter" bij de volgende woorden?


interraciaal, intercity, interim directeur, interactie
A
samen
B
tussen
C
tegen
D
midden

Slide 2 - Quizvraag


Wat is de betekenis van het suffix "graaf" bij de volgende woorden?


fotograaf, biograaf, oceanograaf, kalligraaf
A
verschillend van
B
komend van
C
zijn van
D
beschrijven van

Slide 3 - Quizvraag

Kalligrafie

Slide 4 - Tekstslide


Wat is de betekenis van het prefix "homo-" bij de volgende woorden?


homofoon, homofobie, homolateraal, homogeen
A
tegen
B
tussen
C
hetzelfde
D
super

Slide 5 - Quizvraag

homofoon: klinken hetzelfde
licht/ligt, bereiden/berijden en rat/rad. 

Slide 6 - Tekstslide


Wat is de betekenis van het prefix "trans-" bij de volgende woorden?


transport, transgender, transparant, transactie
A
over, aan de overzijde
B
naar
C
hetzelfde
D
anders

Slide 7 - Quizvraag


Wat is de betekenis van het "prefix en suffix: "chrono-" en
"-chroon" bij de volgende woorden?


synchroon, chronologisch, achronie
A
gelijk
B
tijd
C
samen

Slide 8 - Quizvraag


Wat is de betekenis van het prefix "dia-" bij de volgende woorden?


diabetes, dialoog, diameter, diarree
A
voor
B
weg van
C
doorheen
D
tegen

Slide 9 - Quizvraag

etymologie
Diabetes mellitus (letterlijk 'honingzoete doorstroming') is een aandoening die wordt gekenmerkt door herhaaldelijk (chronisch) verhoogde bloedglucose- of bloedsuikerwaarden (hyperglykemie). Vandaar de Nederlandstalige aanduiding suikerziekte, of kortweg suiker.

Slide 10 - Tekstslide


Wat is de betekenis van het prefix en suffix "centrisch" bij de volgende woorden?


egocentrisch, centrifugeren, theocentrisch
A
in het midden
B
voormalig
C
weg van

Slide 11 - Quizvraag


Wat is de betekenis van het prefix "ir" bij de volgende woorden?


irreëel, irrationeel, irrelevant, irresoluut
A
zonder
B
met
C
geen
D
niet

Slide 12 - Quizvraag


Wat is de betekenis van het prefix "auto-" bij de volgende woorden?


autodidact, autonoom, automobiel, autobiografie
A
samen
B
zonder
C
zelf
D
hetzelfde

Slide 13 - Quizvraag


Wat is de betekenis van het prefix "super-/ supra-" bij de volgende woorden?


supervisie, superlatief, supraventriculair
A
boven, meer dan
B
onder
C
samen

Slide 14 - Quizvraag


Wat is de betekenis van het prefix "sub" bij de volgende woorden?


subcutaan, subcultuur, subway
A
boven
B
onder
C
over

Slide 15 - Quizvraag


Wat is de betekenis van het prefix "on-" bij de volgende woorden?


ongewenst, onbepaald, onbewust
A
terug
B
naast
C
na
D
niet

Slide 16 - Quizvraag


Wat is de betekenis van het prefix "her-" bij de volgende woorden?


herintegreren, herscrijven, herhalen
A
opnieuw
B
veel
C
niet
D
voor

Slide 17 - Quizvraag


Wat is de betekenis van het suffix "er-" bij de volgende woorden?


visser, ontwerper, apotheker
A
achter
B
een vrouw die
C
niet
D
iemand die

Slide 18 - Quizvraag


Wat is de betekenis van het suffix "-ster" bij de volgende woorden?


schoonmaakster, verpleegster, vrijwilligster
A
iemand die
B
een vrouw die
C
niet
D
voor

Slide 19 - Quizvraag


Wat is de betekenis van het suffix "-baar" bij de volgende woorden?


eetbaar, verwaarloosbaar, zichtbaar
A
je kunt het niet
B
niet
C
iemand die
D
je kunt het

Slide 20 - Quizvraag


Wat is de betekenis van het suffix "-loos" bij de volgende woorden?


kinderloos, uitzichtloos, dakloos
A
niet hebben
B
gegeven
C
uitzicht
D
ieman die

Slide 21 - Quizvraag

Slide 22 - Tekstslide