Veilig op stage: test hoofdstuk 1 t/m 3

Veilig op stage: 



hoofdstuk 1 t/m 3
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
BurgerschapPraktijkonderwijsLeerjaar 2

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Veilig op stage: 



hoofdstuk 1 t/m 3

Slide 1 - Tekstslide


Wat is veiligheid?
A
Gevaarlijk werk doen.
B
Jezelf en anderen beschermen.
C
Samenwerken met klasgenoten.
D
Geen rekening houden met de regels.

Slide 2 - Quizvraag


Wat is preventie?
A
Veel ongevallen op dezelfde plek.
B
Niet opletten als je aan het werk bent.
C
Ervoor zorgen dat iets niet gebeurt.
D
Samenwerken aan een opdracht.

Slide 3 - Quizvraag

Wat is een ander woord voor 'ongeval'
A
Ongeluk
B
Vallen
C
Ongelukkig zijn
D
Iets omstoten

Slide 4 - Quizvraag

Wat betekent 'schade'?
A
Iemand die gewond is.
B
Kapotte spullen.
C
Een ongeluk.
D
Als iemand iets belangrijks is kwijt geraakt.

Slide 5 - Quizvraag

Wat betekent 'letsel'?
A
Kapotte spullen.
B
Onveilig werken.
C
Werken zonder beschermingsmiddelen.
D
Als iemand gewond is of zelfs dood.

Slide 6 - Quizvraag

Wat betekent de afkorting BHV-er?
A
Bedrijfs Hoogte Verkenner
B
Beveiligings Hulp Verlener
C
Bedrijfs Hulp Verlener
D
Beveiliging Huis Vereniging

Slide 7 - Quizvraag

Wat hoef je NIET door te geven als je 112 belt?
A
De plaats van het ongeval
B
Je naam
C
Hoeveel slachtoffers er zijn
D
De leeftijd van de gewonde(n)

Slide 8 - Quizvraag

Waarom mag je niks veranderen op de plek van een ongeval?
A
Zodat de gewonde het later zelf kan opruimen.
B
Omdat er onderzoek gedaan moet worden.
C
Omdat de baas het op moet ruimen
D
Dit mag alleen de schoonmaker doen

Slide 9 - Quizvraag

Wat is een ander woord voor 'ramp'?
A
Ongelukje
B
Noodsituatie
C
Een ongeluk met schade
D
Een ongeluk met letsel

Slide 10 - Quizvraag

Wat is een voorbeeld van een ramp?
A
Aardbeving
B
2 auto's die een botsing hebben gehad?
C
Je hebt je arm gebroken
D
Een harde regenbui

Slide 11 - Quizvraag

Wat is een ander woord voor 'slow-whoop'?
A
Ontruiming
B
Ongeluk
C
Alarm
D
Ramp

Slide 12 - Quizvraag

Wat betekent de afkorting PBM's?
A
Persoonlijk Bedrijfs Medewerker
B
Prachtige Beschermings Materialen
C
Prettig Beschermings Middel
D
Persoonlijke Beschermings Middelen

Slide 13 - Quizvraag

Wat doe je als je een gevaar aanpakt bij de bron?
A
Je gebruikt al je PBM's
B
Je verandert iets aan een machine of product
C
Je schermt een gevaarlijke machine af

Slide 14 - Quizvraag

Wat is een ander woord voor 'pictogram'?
A
Uitleg op papier
B
Uitleg van je baas
C
Een gevaarlijke machine
D
Plaatje

Slide 15 - Quizvraag

Wat zie je op de foto?
A
Laskap
B
Ruimzichtbril
C
Gelaatsbescherming
D
Veiligheidsbril

Slide 16 - Quizvraag

Wat zie je op dit plaatje?
A
Veiligheidsbril
B
Ruimzichtbril
C
Gelaatsbescherming
D
Laskap

Slide 17 - Quizvraag

Wanneer ben je verplicht (moet je) gehoorbescherming gebruiken?
A
Als het geluid tussen 60 en 80 decibel is.
B
Als het geluid tussen 80 en 85 decibel is.
C
Als het geluid harder is dan 85 decibel

Slide 18 - Quizvraag

Wat zie je op de foto?
A
Oorkappen
B
Watten
C
Oordopjes
D
Otoplastieken

Slide 19 - Quizvraag

Wat is 'onafhankelijke adembescherming'?
A
Een stofmasker
B
Een filtermasker
C
Lucht uit een zuurstoffles.
D
Een mondkapje

Slide 20 - Quizvraag

Waartegen beschermen isolerende handschoenen?
A
Warmte en kou
B
Scherpe voorwerpen
C
Gevaarlijke stoffen
D
Water

Slide 21 - Quizvraag

Wat is signaalkleding?
A
Kleding waarin je goed zichtbaar bent.
B
Kleding die beschermd tegen de kou.
C
Kleding die beschermt tegen de warmte.
D
Kleding die je na gebruik kunt weggooien.

Slide 22 - Quizvraag