chp 5 Le Romantisme

1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Waar denk je aan bij de Romantiek?

Slide 2 - Open vraag

Le Romantisme (1800-1850)
  • De Romantiek zet zich af tegen de strenge regels van het classicisme onder Louis XIV én tegen het rationalisme van de Verlichting.
  • Men gelooft niet meer dat de Rede alle problemen kan oplossen of dat vooruitgang per definitie goed is.
  • Het gevoel en de verbeelding staan voorop.

Slide 3 - Tekstslide

Les objectifs
- décrire le contexte historique 
- décrire les caractéristiques du Romantisme 
- connaître les écrivains du Romantisme et leurs oeuvres

Slide 4 - Tekstslide

Introduction
- 1800-1850  

- 1799 : Napoléon Bonaparte pleegt staatsgreep 

- 1804: Napoléon roept zichzelf uit tot keizer

- 1815: Verbannen naar Helena, 1821 overleden

- 1830: Julirevolutie tegen koning Charles X (les Trois Glorieuses)

- 1848: Februarirevolutie

- 1852: Napoléon III wordt keizer (neef van Napoléon Bonaparte)

Slide 5 - Tekstslide

Introduction
- Industriële Revolutie : 
ontstaan van arbeidersklasse doordat boeren minder werk hebben vertrekken ze naar de stad.
- Le Mal du Siècle
misstanden aan de kaak stellen en vluchten uit hier en nu,
- Le Culte du Moi
individu staat centraal met zijn persoonlijke gevoelens (in Verlichting was dit juist het verstand).
- La Nature  :
Men voelt zich niet op het gemak in de geïndustrialiseerde wereld. Natuur = vrijheid, puurheid en vrede. 

Slide 6 - Tekstslide

Introduction

De Verlichting

De Romantiek

Rationalisme (verstand)

Sentimentaliteit (gevoelens & verbeelding)

Optimisme (alles komt goed)

Pessimisme (het komt nooit meer goed)

Maatschappij (iedereen is gelijk)

Individu (ieder voor zich)


Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Op wat is de Romantiek een tegenreactie?

Slide 10 - Open vraag

Slide 11 - Tekstslide

Wie gebruikte deze uitgangspunten al voor de opvoeding van kinderen?

Slide 12 - Open vraag

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Hoe ontstond de Romantiek?

- Franse Revolutie

- Napoleon

- Industrialisatie --> arbeidersklasse

- Le mal du siècle


- Le culte du moi

Slide 20 - Tekstslide

La poésie lyrique

- (lyrische poëzie)

- Metafoor

- Voorbeeld: Le Lac van

                    Alphonse de Lamartine


Slide 21 - Tekstslide

Le roman social

- sociale roman
- engagement
- Voorbeeld: Les Misérables van

                      Victor Hugo


Slide 22 - Tekstslide

Le conte fantastique

- 'Fantastische novelle'

- Fantasie

- Bovennatuurlijke fenomenen

- Théophile Gautier

Slide 23 - Tekstslide

Welke 3 factoren leidden tot de Romantiek in Frankrijk?

Slide 24 - Open vraag

Noem 3 kenmerken van lyrische poëzie.

Slide 25 - Open vraag

Wie van deze mannen was geen Franse schrijver in de Romantiek?
A
Théophile Gautier
B
Victor Hugo
C
Alphonse de Lamartine
D
Jean-Paul Durand

Slide 26 - Quizvraag

Victor Hugo is een van de beroemdste Franse schrijvers.
A
waar
B
niet waar

Slide 27 - Quizvraag

Waar heeft Hugo niet gewoond?
A
Parijs
B
Guernsey
C
Spanje
D
Duitsland

Slide 28 - Quizvraag

Welk beroemd boek heeft Hugo geschreven naast 'Les Misérables'?

Slide 29 - Open vraag

Hugo was niet alleen schrijver, maar ook politicus.
A
waar
B
niet waar

Slide 30 - Quizvraag

Hugo was een groot bewonderaar van Napoleon III.
A
waar
B
niet waar

Slide 31 - Quizvraag

Slide 32 - Video

Slide 33 - Video

Construit sur l'adjectif "romantique", le mot "romantisme" désigne à l'origine :
A
l' amateur de romances
B
des écrits dont le sujet est l'amour
C
les émotions des lecteurs de roman

Slide 34 - Quizvraag

Il désigne par la suite un mouvement artistique et culturel
A
français
B
européen
C
mondial

Slide 35 - Quizvraag

Il est né tout d'abord
A
en Angleterre et en Allemagne
B
en Angleterre et en France
C
en France et en Allemagne

Slide 36 - Quizvraag

On peut le situer :
A
dans la première moitié du XIXe siècle
B
au XVIIIe siècle
C
dans la seconde moitié du XIXe siècle

Slide 37 - Quizvraag

On peut le situer :
A
dans la première moitié du XIXe siècle
B
au XVIIIe siècle
C
dans la seconde moitié du XIXe siècle

Slide 38 - Quizvraag

Il correspond à un malaise dans la société, un désenchantement existentiel que l'on va appeler :
A
le vague à l'âme
B
le mal de vivre
C
le mal du siècle

Slide 39 - Quizvraag

Ce malaise est principalement dû à :
A
une crise économique profonde
B
une profonde désillusion après les idéaux révolutionnaires et l'épopée napoléonienne
C
la déception du régime républicain

Slide 40 - Quizvraag

Ce mouvement s'oppose :
A
aux règles prônées par les classiques
B
à la séparation des genres
C
au règne de la raison et de l'argent

Slide 41 - Quizvraag

Il revendique :
A
le "moi" comme valeur absolue, basé sur un goût prononcé pour l'introspection
B
la quête d'un idéal de beauté, de liberté, d'absolu.
C
un rôle scientifique de la littérature en tant que témoignage d'une époque
D
un art libre de toute convention

Slide 42 - Quizvraag

La nature occupe une place particulière en tant que :
A
miroir de l'âme
B
lieu de communion entre Dieu et les hommes
C
confidente
D
image de la passion et de l'infinin

Slide 43 - Quizvraag

Le héros romantique est avant tout:
A
un personnage tourmenté par une angoisse existentielle découlant de l'écart entre la réalité et l'idéal
B
un personnage en quête d'idéal, d'absolu
C
un personnage passionné, incompris, amoureux, épris de justice et de liberté
D
un héros ambitieux à la conquête du monde

Slide 44 - Quizvraag