Instaptest 2HV

Instaptest 2HV
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Instaptest 2HV

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present simple is:
Wat is de present simple?
A
Verleden tijd
B
Tegenwoordig tijd
C
Toekomst

Slide 2 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple:

Wat is de regel van de present simple?
A
ww + - ed
B
shit = bij she/he/it : ww +-(e)s
C
vorm van to be + ww+-ing

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple:

Wanneer gebruik je de Present Simple?
A
Bij gewoonte, feit en regelmaat.
B
Wanneer iets nu bezig of aan de gang is.
C
Als iets begonnen is in het verleden en nu nog voort duurt.
D
Als het al gebeurd is.

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple:
welke zin is present simple?
A
I am walking to school.
B
They walked to school.
C
We have walked to school.
D
He walks to school.

Slide 5 - Quizvraag

Present simple:
Rule Example
 Je gebruikt de tegenwoordige tijd (present simple)
als je het over het volgende hebt:
• feiten Water boils at 100 degrees.
• gewoontes I usually get up at 6.30.
• toekomst als je een rooster/tijdschema/programma hebt ;The train leaves at 7.30.
• levendig beschrijving/dramatisch effect;
In 1099 William conquers England
Altijd hele werkwoord behalve SHIT: +S
I walk -> He walks

Present simple
He ..... (to call)
A
call
B
calls

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple
It ....... (to start) in 10 minutes.
A
start
B
starts

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple
We often ........... (to talk) about or holiday.
A
talk
B
talks

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple
They ...... (to visit) us every summer.
A
visit
B
visits

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

(to be)
He ..... my brother.
A
am
B
are
C
is

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

(to be)
We ..... at school.
A
am
B
are
C
is

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

(to be)
..... you at home tonight?
A
am
B
are
C
is

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

(to be)
Derrek and Sheila ..... at work.
A
am
B
are
C
is

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

She (live) in Paris

Slide 14 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Sarah ....(go) to school by bus
A
goes
B
go
C
going

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

(to walk) present simple
He ....... in the park.

Slide 16 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

(to teach) present simple
She ..... English.

Slide 17 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

(to cry) present simple
The baby ..... .

Slide 18 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

(to kiss) present simple
She ..... her boyfriend.

Slide 19 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Does he studies a lot?

Deze vraag is...
A
Goed
B
fout

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

We can not come to your party tonight.
Deze ontkenning is...
A
goed
B
fout

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Which sentence is not right?
A
My dad doesn't work here.
B
Kevin doesn't have got a dog.
C
I don't like geography.
D
He can't play the guitar.

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Make a question:
I like English.

Slide 23 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Make a question:
They are very happy.

Slide 24 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Make a question:
He loves to play tennis.

Slide 25 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Make a negation:
He likes bananas.

Slide 26 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Make a negation:
They like the snow.

Slide 27 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Continuous:

Wat geef je aan met de present continuous?
A
Iets dat altijd, nooit of regelmatig gebeurt
B
Iets dat NU aan de gang is.
C
Iets dat is gebeurd in het verleden.

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

is/am/are + verb+ing
verb(+s)
present 
continuous
present 
simple 

Slide 29 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Some/Any:

I don't need some/any apples.
A
some
B
any

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Some/any.
He has brought some/any flowers.
A
Some
B
Any

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Some/Any:

Do you want some/any lemonade?
A
some
B
any

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Is there some/any bread left?
A
some
B
any

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

some/any:

Please get me ... coffee!
A
some
B
any

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat gebruik je in vraagzinnen? Some / Any?
A
Some
B
Any

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Gebruik de present continuous.

We ... (to learn) about the present continuous.
A
are learning
B
learn
C
am learning
D
learns

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Word Order

Wat is de regel?
A
doet-waar-wanneer-wat-wie
B
wanneer-doet-wie-wat-waar
C
wie-doet-wat-waar-wanneer
D
wanneer-wie-doet-wat-waar

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Word order

A
time - place
B
place - time

Slide 38 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Word Order

What is the correct word order?
A
You there went last Monday.
B
You there last Monday went.
C
You went last Monday there.
D
You went there last Monday.

Slide 39 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Word Order

What is the correct word order?
A
See you next Monday at the Google Meet.
B
See you at the Google Meet next Monday.

Slide 40 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Word Order

What is the correct word order?
A
Danny went to school yesterday.
B
Went Danny to school yesterday.
C
To school went Danny yesterday.
D
Danny to school went yesterday.

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

What is the correct word order?
A
Matt sometimes arrives late for work.
B
Matt arrives sometimes late for work.
C
Sometimes, Matt arrives late for work.
D
Matt arrives late for work sometimes.

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Word Order

What is the correct word order?
A
They never are on time.
B
They are never on time.

Slide 43 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 44 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies