Woordenschat Familie

Familie
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
TaalBasisschoolGroep 7

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Familie

Slide 1 - Tekstslide

woorden over familie
stamboom                    het ouderlijk huis
genen              de partner
aangetrouwd                de roepnaam
zwager                                                           adopteren
senior                        erven

Slide 2 - Tekstslide

Wat is een ander woord voor "familie van elkaar zijn"?
A
de verwantschap
B
de afstammeling
C
de stamvader
D
de gezinscoach

Slide 3 - Quizvraag

Wat is een ander woord voor "goed bij elkaar passen"?
A
de geschiedenis
B
hecht
C
harmonieus
D
gemiddeld

Slide 4 - Quizvraag

Wat is een ander woord voor "diegene met wie je samenleeft of getrouwd bent"?
A
een kleinkind
B
een partner
C
een voogd
D
een zwager

Slide 5 - Quizvraag

Wat is "het gezinsleven"?
A
het kind van een ander in je gezin opnemen
B
de zorg voor een kind dat niet thuis woont
C
alle personen uit een familie
D
het dagelijks leven in een gezin

Slide 6 - Quizvraag

Wat is "gezinsuitbreiding"?
A
degene zijn waar een familie van afstamt
B
wettelijk verantwoordelijk zijn voor een kind
C
dat er veel problemen zijn in een gezin
D
er komt een kind bij, dus wordt het gezin groter

Slide 7 - Quizvraag

Wat is "een autobiografie"?
A
iemand die gezinnen met problemen helpt
B
een boek waarin je je eigen leven beschrijft
C
een kort verhaal over een leuke gebeurtenis
D
een schema dat laat zien van wie je afstamt

Slide 8 - Quizvraag

Wat is de zus van degene met wie je trouwt?
A
je schoonzus
B
je zwager
C
je partner
D
je bloedverwant

Slide 9 - Quizvraag

Maak de zin af
Zorg voor een kind dat niet thuis kan wonen........
A
is adopteren
B
noem je een probleemgezin
C
noem je pleegzorg
D
is een autobiografie

Slide 10 - Quizvraag

Maak de zin af.
Als je zoiets meekrijgt van je ouders als talent..............
A
noem je een historie
B
noem je dat erven
C
noem je dat opvolgen
D
noem je dat pleegzorg

Slide 11 - Quizvraag

Maak de zin af.
De genen zijn de deeltjes in cellen die....
A
zorgen dat je bij een familie hoort
B
iemands taak overnemen als hij stopt
C
erfelijke eigenschappen overdragen
D
zorgen dat je een sterke band met elkaar hebt

Slide 12 - Quizvraag

Maak de zin af.
Je voorouder is iemand die vroeger leefde en...........
A
van wie je oorspronkelijk familie bent
B
met wie je een langdurige vijandschap had
C
waaraan je je familie herkent
D
de oudste was van twee personen in een gezin

Slide 13 - Quizvraag

Maak de zin af.
Alle personen uit een familie, vanaf de allereerste voorouders, vormen.....
A
het ouderlijk huis
B
het gezinsleven
C
de gezinsuitbreiding
D
het geslacht

Slide 14 - Quizvraag

Wat betekent "aangetrouwd"?
A
door te trouwen bij een familie gaan horen
B
verwant zijn, familie van elkaar zijn
C
een sterke band met iemand hebben
D
een kind van een ander gezin opnemen

Slide 15 - Quizvraag

Wat betekent "afstammen"?
A
een stamboom maken
B
wettelijk verantwoordelijk zijn voor een kind
C
oorspronkelijk familie van iemand zijn
D
iets meekrijgen van ouders of voorouders

Slide 16 - Quizvraag

Wat betekent "bloedverwant"?
A
dat het oorspronkelijke familie van je is
B
alle personen uit een familie
C
dat je ermee samenleeft
D
dat het familie is, maar niet aangetrouwd

Slide 17 - Quizvraag

Waar gaat het bij "zorgzaam" vooral om?
A
Dat alles goed bij elkaar past.
B
Om het verwant zijn.
C
Om de sterke band met elkaar.
D
Om anderen.

Slide 18 - Quizvraag

Waar gaat het bij "het ouderlijk huis" vooral om?
A
Dat het een familiewapen heeft.
B
Dat je daar opgroeide.
C
Dat je stamvader er woont.
D
Dat twee personen dezelfde roepnaam hebben.

Slide 19 - Quizvraag

Wat is het tegngestelde van "doorsnee"?
A
bijzonder
B
harmonieus
C
zorgzaam
D
roemrucht

Slide 20 - Quizvraag

Wat is het tegengestelde van "de nazaat"?
A
de nakomeling
B
junior
C
de voorvader
D
de afstammeling

Slide 21 - Quizvraag

Wat past het beste bij het woord "gezinscoach"?
A
erven
B
wonen
C
opvolgen
D
helpen

Slide 22 - Quizvraag

Wat past het beste bij het woord "senior"?
A
een gezin
B
de oudste
C
de roepnaam
D
een persoon

Slide 23 - Quizvraag

Wat past het beste bij het woord "de traditie"?
A
Dat het van ouders op kinderen overgaat.
B
Dat het een gewoonte is van de ouders.
C
Dat het van kind op ouder overgaat.
D
Dat het een gebruik is bij de kinderen.

Slide 24 - Quizvraag

Wat is geen voorbeeld van "adopteren"?
A
Het kind volgens de wet tot jouw kind maken.
B
Het kind van een ander voor altijd als een eigen kind in je gezin opnemen.
C
De pleegzorg voor een kind hebben.
D
Een kind aannemen alsof het van jezelf is.

Slide 25 - Quizvraag

Wat noem je geen "nakomeling"?
A
het kleinkind
B
de partner
C
het kind
D
het achterkleinkind

Slide 26 - Quizvraag

Welk woord hoort er niet bij?
A
de traditie
B
het gebruik
C
de vete
D
de gewoonte

Slide 27 - Quizvraag

Welk woord hoort er niet bij?
A
de voogd
B
de stamboom
C
het schema
D
de afstamming

Slide 28 - Quizvraag

Welk woord hoort er niet bij?
A
de kennisgeving
B
de mededeling
C
de bekendmaking
D
de nakomeling

Slide 29 - Quizvraag

Welk woord hoort er niet bij?
A
leuke gebeurtenis
B
de historie
C
de anekdote
D
kort verhaal

Slide 30 - Quizvraag

Welk woord hoort er niet bij?
A
beroemd
B
roemrucht
C
hecht
D
berucht

Slide 31 - Quizvraag

Welk woord hoort er niet bij?
A
de afstammeling
B
de telg
C
de roepnaam
D
de nakomeling

Slide 32 - Quizvraag

Welke uitdrukking gebruik je als het over je eigen kinderen gaat?
A
Kind noch kraai hebben.
B
Blauw bloed hebben.
C
Je eigen vlees en bloed.
D
Het zit in je genen.

Slide 33 - Quizvraag

Welke uitspraak is waar?
A
Spreekwoorden zijn geen vaste uitdrukkingen.
B
De betekenis van een uitdrukking is altijd letterlijk bedoeld.
C
Gezegden en uitdrukkingen noem je vaste spreekwoorden.
D
Gebruik je een uitdrukking, dan is dat figuurlijk taalgebruik.

Slide 34 - Quizvraag

Je loopt langs een heel mooi huis en denkt:"Tsjoh, die zijn rijk".
Dan komt een ambulance de oprit op.
A
Wie voor een dubbeltje geboren is wordt nooit een kwartje.
B
Kind noch kraai hebben.
C
Ieder huisje heeft zijn kruisje.
D
Van je familie moet je het maar hebben.

Slide 35 - Quizvraag

Welke achternaam verraadt welk beroep een van de voorouders had?
A
Van den Bosch
B
Van Oostenbruggen
C
Den Hollander
D
Mandemakers

Slide 36 - Quizvraag

Hoe kun je de Nederlandse achternaam Mooiman verklaren?
A
De naam geeft aan van wie het een zoon was.
B
De naam geeft een eigenschap aan.
C
De naam slaat terug op een beroep.
D
De naam verwijst naar de plek waar hij vandaan kwam.

Slide 37 - Quizvraag

Welke zin is waar?
A
Met de herkomst van Nederlandse achternamen bedoel je waar ze vandaan komen.
B
Je kunt maar zelden de herkomst verklaren.
C
Alleen als ze slaan op een beroep of plaats kun je het verklaren.
D
Nederlandse achternamen kun je maar op drie manieren verklaren.

Slide 38 - Quizvraag