Les Woordenboekgebruik Duits

Herzlich Willkommen!
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Herzlich Willkommen!

Slide 1 - Tekstslide

Was brauchst du heute?

  • dein Heft
  • dein Gerät (iPad oder Laptop)
  • ein Kugelschreiber
  • ein Wörterbuch Deutsch-Niederländisch 

Slide 2 - Tekstslide

Lernziel dieser Stunde

  • Ik kan op de juiste manier een woordenboek gebruiken!
  • Ich kann ein Wörterbuch richtig benutzen!

Slide 3 - Tekstslide

Warum lernt man, 
ein Wörterbuch zu benutzen?

1. Bij het SO leesvaardigheid mag je een woordenboek 
Duits-Nederlands gebruiken.

2. Als je weet hoe je woorden in het woordenboek moet opzoeken, zul je het woordenboek beter kunnen gebruiken EN bespaart dit je tijd.
 

Slide 4 - Tekstslide

Erzähl mal...

  • Heb je wel eens een woordenboek gebruikt?
  • Voor welk vak?
  • Is het handig?
  • Hoe 'werkt' een woordenboek eigenlijk?

Slide 5 - Tekstslide

Wann benutzt man ein Wörterbuch?

  • Moet je alle woorden die je niet kent opzoeken?
  • Waarom wel/niet?
  • Hoe weet je dat je een woord wel/niet op moet zoeken?

Slide 6 - Tekstslide

Wann benutzt man ein Wörterbuch?

  • Je hoeft niet alle woorden op te zoeken die je niet kent!
  • Je zoekt alleen de woorden op die belangrijk zijn om de              zin/tekst te begrijpen!!
  • Het gaat erom dat je de hoofdlijnen van een tekst begrijpt!

Slide 7 - Tekstslide

Kontext
  Je hoeft niet altijd direct een woord op te zoeken:
  • Soms kun je het woord 'herkennen', omdat het woord op een Nederlands woord lijkt: streiten = strijden, ruzie maken.
  • Soms kun je de betekenis van een woord uit de 'context'  halen: 
"Zwei Jungen aus Berlin konnten ihr Haus nicht mehr finden,  sie hatten sich verirrt/ verfahren."

Slide 8 - Tekstslide

Hoe zit een woordenboek in elkaar?

  • Woorden staan op alfabetische volgorde. 

-> appel komt voor banaan
-> auto komt voor avond

Slide 9 - Tekstslide

Aufgabe 1

Slide 10 - Tekstslide

Aufgabe 2

Slide 11 - Tekstslide

Achtung!
Je vindt niet alle vormen van woorden in het woordenboek!

We bespreken:         * werkwoorden
                                        * meervoudsvormen van het zelfstandig                                                     naamwoord
                                        * samengestelde woorden
                                        * woorden met meerdere betekenissen

Slide 12 - Tekstslide

Werkwoorden
  • In het woordenboek vind je alleen het hele werkwoord.

  • Je vindt dus geen werkwoordsvormen in het woordenboek.

wel:   machen,  dürfen,  regnen
niet:  machst,   darf,        geregnet

Slide 13 - Tekstslide

Werkwoorden
Om het hele werkwoord te vinden, moet je werkwoordsvormen ombuigen / terugbuigen naar het hele werkwoord!

  • ESTTENTEN-regel
  • voltooid deelwoord
  • verleden tijd

Slide 14 - Tekstslide

Aufgabe 3
Schrijf eerst het hele werkwoord van het vetgedrukte woord op en zoek dan naar de betekenis van dat werkwoord.
  1. Er hat es gemacht.
  2. Jan kauft ein Buch.
  3. Wir haben getanzt.
  4.  Er leistet.
  5. Sie hat geträumt.

Slide 15 - Tekstslide

Meervoud
  • In het woordenboek vind je alleen het enkelvoud van het zelfstandige naamwoord.

wel:   Mann,     Frau
niet:  Männer, Frauen
 
  • Tip: zoek naar het woord zonder de laatste letter(s)!

Slide 16 - Tekstslide

Zoek op in het woordenboek:
Mitglieder

Slide 17 - Open vraag

Aufgabe 4
Zoek de betekenis van de woorden op.
  1. die Erfolge
  2. die Leistungen
  3. die Zähne

Slide 18 - Tekstslide

Samengestelde woorden

  • Wat zijn samengestelde woorden eigenlijk?
  • Kan je een voorbeeld noemen in het Nederlands?
  • Kan je een voorbeeld noemen in het Duits?





Slide 19 - Tekstslide

Samengestelde woorden
  • Samengestelde woorden moet je 'uit elkaar halen'

  1. Kijk uit wat voor delen ze bestaan (let op de verbindingsletter).
  2. Haal die delen op de juiste plek uit elkaar.
  3. Zoek elk deel op en maak er weer een heel woord van.
  4. Ook woordjes als un- (unsicher) en mit- (mitlaufen) zijn delen van een samenstelling!




Slide 20 - Tekstslide

Uit welke twee woorden bestaat:
Kindheitstraum

Slide 21 - Open vraag

Wat betekent:
Berufswechsel

Slide 22 - Open vraag

Aufgabe 5
Uit welke twee woorden bestaat dit woord EN wat betekent het samengestelde woord?
  1. Schulfrust
  2. Freizeitplanung
  3. Prüfungsvorbereitung

Slide 23 - Tekstslide

Meerdere betekenissen

  • Gebruik niet de eerste betekenis die in het woordenboek     staat, maar kijk of het past in de zin!




Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Vertaal het woord 'net' in deze zin:
Ich habe (net) ein neues Handy gekauft.

Slide 26 - Open vraag

Aufgabe 6
Wat?             Ik ga op zoek betekenis van woorden vinden in voorbeeldzinnen.
Hoe?             Ik krijg een tekst en ik vertaal de dikgedrukte woorden .
                        Geef aan hoe je de betekenis hebt gevonden: 'herkent' vanuit het Nederlands (1),                                  gehaald uit de context (2) of gevonden met behulp van het woordenboek (3).
Hulp?           Ik gebruik de strategieën die ik net gehoord heb en ik kan een woordenboek                                           gebruiken.
Tijd?             10 minuten
Uitkomst?  Ik ben vaardiger geworden in leesvaardigheid en het gebruik van een woordenboek.

De antwoorden worden klassikaal besproken. 












Slide 27 - Tekstslide

Even de leerdoelen herhalen:
Wat heb je geleerd?
(1) Nächstes Wochenende nutzt Fußballer Niklas Stark (22) die Länderspielpause, um seine Familie zu besuchen. 
Stark verrät: „Die freien Tage haben den Vorteil, dass ich mich mal wieder bei meiner Oma 1.blicken lassen kann. 
Ich habe nämlich ihren Geburtstag 2.verpasst. Sie kocht immer für mich, wenn ich komme. 
Nirgendwo schmeckt das Essen so gut wie bei ihr. Generell tut mir die 3.Heimatluft auch gut.“

(2) Nach zuletzt drei englischen Wochen in Folge sammelt der Verteidiger so Kraft, um sich zurück in
 die Stammelf zu kämpfen. In dieser 4.Spielzeit stand Stark erst vier Mal in der Stammelf. 
Letzte Saison war der U211)-Europameister unumstrittener Stammspieler. 
Stark: „Ich hatte durch die Europäische Meisterschaft die Trainingslager leider verpasst.
 Aber ich denke, ich habe mich ganz gut zurückgekämpft. Wir haben dieses Jahr einen guten breiten Stamm. 
Man muss richtig Gas geben, um eine Chance auf die Stammelf zu 5.bekommen. Wir rotieren viel, 
jeder sitzt mal auf der Bank, das ist kein Problem. Wir brauchen jeden Spieler im Stamm, die 6.Saison ist 
noch lang genug.“

naar: Fussball Bild, 09.10.2017








Slide 28 - Tekstslide

Wie war noch mal das Lernziel?

  • Ik kan op de juiste manier een woordenboek gebruiken!
  • Ich kann ein Wörterbuch richtig benutzen.

  • Heb je dat geleerd?
  • Hast du das gelernt?

Slide 29 - Tekstslide

BONUS

Slide 30 - Tekstslide

BONUS
Zet de woorden eerst in alfabetische volgorde en dan...

Slide 31 - Tekstslide