20210617 Vorbereitung PWW 3 Jun i2021

3BK Voorbereiding PWW juni 21
1 Je kunt de werkwoorden haben en sein gebruiken 
2 Je kunt de zwakke regelmatige werkwoorden vervoegen met de  feesttenten - regel.
3 Je kunt de "Modalverben"  (hulpwerkwoorden) gebruiken. 
4  Je kunt het voltooid deelwoord gebruiken
 
5  Je kunt een persoonlijke mail schrijven of beantwoorden. 
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
Duits Middelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

3BK Voorbereiding PWW juni 21
1 Je kunt de werkwoorden haben en sein gebruiken 
2 Je kunt de zwakke regelmatige werkwoorden vervoegen met de  feesttenten - regel.
3 Je kunt de "Modalverben"  (hulpwerkwoorden) gebruiken. 
4  Je kunt het voltooid deelwoord gebruiken
 
5  Je kunt een persoonlijke mail schrijven of beantwoorden. 

Slide 1 - Tekstslide

ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
wollte
wollten
wolltest
wolltet
wollte
wollten

Slide 2 - Sleepvraag

Onregelmatige werkwoorden:  haben + sein

ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
bin
bist
ist
sind
seid
sind
sein
sein

Slide 3 - Sleepvraag

het werkwoord haben
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
habe
hast
hat
haben
habt
haben

Slide 4 - Sleepvraag

Wat is eigenlijk de feesttenten-regel?
A
bepaalt de uitgangen van alle werkwoorden
B
bepaalt de uitgangen van de zwakke werkw.
C
bepaalt de uitgangen van de sterke werkw.
D
bepaalt de uitgangen van haben + sein

Slide 5 - Quizvraag

Hoofdregel (feesttenten)
FE-
ich
spiele
du
spielst
er / sie / es
spielt
wir
spielen
ihr
spielt
sie / Sie
spielen

Slide 6 - Tekstslide

Regel: feesttenten 

Slide 7 - Tekstslide

Geen "feesttenten" bij het Modalverb ENKELVOUD 

Slide 8 - Tekstslide

Welke vormen van het werkwoord zijn bij elk werkwoord hetzelfde?
A
du + ich
B
ich + er/sie/es
C
wir + Sie/sie
D
ihr +ich

Slide 9 - Quizvraag

Wat is de stam van een zwak werkwoord in het Duits?
A
ik-vorm
B
hele werkwoord
C
hele werkwoord -(e)n
D
hij-vorm

Slide 10 - Quizvraag

zwakke werkwoorden:
Wir _____ in Hamburg.
A
leben
B
lebst
C
lebe

Slide 11 - Quizvraag

zwakke werkwoorden:
Ihr _____ in Berlin.
A
wohnt
B
wohne
C
wohnst

Slide 12 - Quizvraag

Wat was bijzonder bij modale werkwoorden?
A
Ze zijn regelmatig (feesttenten-regel)
B
Ze hebben een klinkerverandering in de stam
C
Ze hebben een klinkerverandering in het meervoud
D
Ich + er/sie/es geen uitgang en klinkerverandering in het enkelvoud

Slide 13 - Quizvraag

modaal- 
werkwoord
JA
modaal-
werkwoord
NEE
ich muss
du gehst
ihr wisst
er weiß
sie hat
ihr spielt
du willst
du wohnst
wir müssen

Slide 14 - Sleepvraag

ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
Können
kannst
kann
könnt
können
können
kann

Slide 15 - Sleepvraag

het voltooid deelwoord 

Slide 16 - Tekstslide

Voltooid deelwoord
Mhhh....... wat is eigenlijk het voltooid deelwoord? En wanneer gebruik je het?

Slide 17 - Tekstslide

Wat is het voltooid deelwoord van:
kaufen?
A
gekauft
B
gekaufen
C
gekaufd

Slide 18 - Quizvraag

Wat is het voltooid deelwoord van:
reservieren
A
gereservierd
B
gereserviert
C
reserviert
D
reservierd

Slide 19 - Quizvraag

Wat is het voltooid deelwoord van:
reden
A
geredet
B
redet
C
gereded
D
reded

Slide 20 - Quizvraag

voltooid deelwoord: fragen
A
fragen
B
gefragt
C
gefraget
D
fragt

Slide 21 - Quizvraag

Schrijven: vertaal

Hoe gaat het met je?

Slide 22 - Open vraag

Chunks (brokjes)  
Chunks zijn uitdrukkingen of korte zinnetjes, 
die vaak voor komen in een taal.
Leer deze uit je hoofd,
en je spreekt al snel een woordje Duits.

Je vindt ze bij de Sprachmittel ! 

Slide 23 - Tekstslide

Vertaal:
Ik ben geïnteresseerd in ....

Slide 24 - Open vraag

Vertaal:
Wat wil jij later worden?

Slide 25 - Open vraag

Vertaal:
Wat is er aan de hand?

Slide 26 - Open vraag