grammatica woordsoorten HF 1 + de brug

grammatica woordsoorten
toets donderdag 11 mei
1 / 10
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 10 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

grammatica woordsoorten
toets donderdag 11 mei

Slide 1 - Tekstslide

zelfstandig naamwoorden
  • abstract zelfstandig naamwoord (azn)
- mens, dier of ding. Kunt er een lidwoord voor zetten. Abstract: geeft iets aan wat je niet kunt aanraken/niet echt bestaat (liefde, gedachte, sprookje, elfje)
  • concreet zelfstandig naamwoord (czn)
- mens, dier of ding. Kunt er een lidwoord voor zetten. Concreet: geeft iets tastbaars aan (stoel, olifant, casper, terschelling)

Slide 2 - Tekstslide

lidwoorden
  • bepaald lidwoord (blw)
- De en Het, zet je voor een zelfstandig naamwoord (de jongen, het pak)
  • onbepaald lidwoord (olw)
- een, zet je voor een zelfstandig naamwoord (een jongen, een pak)

Slide 3 - Tekstslide

werkwoorden
  • zelfstandig werkwoord (zww)
- belangrijkste werkwoord in een zin, staat vaak achterin de zin, er staat maar één zww in de zin. (wij lopen in het park)
  • koppelwerkwoord (kww)
- bij een zin met naamwoordelijk gezegde (iemand is iets), kww en zww staan nooit samen in één zin (hij wil piloot worden)
  • hulpwerkwoord (hww)
- nooit het belangrijkste ww, helpt zww of kww (wij hebben in het park gelopen

Slide 4 - Tekstslide

voornaamwoorden 
  • persoonlijk voornaamwoord (pers. vnw)
- duidt een persoon, dier of ding aan. (hij gaat morgen fietsen)
  • bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw)
- geeft aan van wie iets is. (dat is mijn jas)
  • aanwijzend voornaamwoord (aanw. vnw)
- wijst een mens, dier of ding aan. (die hond is groot)
  • vragendvoornaamwoord (vrag. vnw) 
- duid een vraagzin aan. wie, wat, welke, wat voor. (wat heb jij gedaan?)

Slide 5 - Tekstslide

voornaamwoorden 
  • onbepaald voornaamwoord (onbep. vnw)
- duid persoon of zaak aan, geeft niet precies aan wie of wat er bedoeld wordt. Iemand, niemand, iedereen, men, iets, niets, etc. (waarom kijkt niemand mijn kant op?)
  • betrekkelijk voornaamwoord (betr. vnw)
- wijst terug naar eerder genoemd woord (antecedent) Die, dat, wie, wat. (het flesje, dat bijna leeg is, ga ik zo vullen)

Slide 6 - Tekstslide

voornaamwoorden
  • betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent (betr. vnw. m.i.a)
- als er wel een betr. vnw is maar geen antecedent. (wie een rijbewijs wil halen, zal eerst rijles moeten nemen) 

Slide 7 - Tekstslide

telwoorden
  • bepaald hoofdtelwoord (bep. hoofdtw)
- geeft een precies getal aan. (ik ben geboren in 2007)
  • onbepaald hoofdtelwoord (onbep. hooftw)
- geeft een onduidelijk getal aan. (er zijn weinig jongens)
  • bepaald rangtelwoord (bep. rangtw) 
- geeft een precieze volgorde/plaats in een reeks aan. (de eerste keer)
  • onbepaald rangtelwoord (onbep. rangtw)
- geeft onduidelijke volgorde/plaats in een reeks aan. (wij zijn laatste)

Slide 8 - Tekstslide

voegwoorden
  • nevenschikkend voegwoord (ns. vw)
- verbindt meestal twee woorden, woordgroepen of zinnen aan elkaar. want, maar, dus, en, of. (ik wilde naar huis, maar dat mocht niet van mijn ouders) 
  • onderschikkend voegwoord (os. vw)
- verbindt meestal bijzin aan een hoofdzin. (aangezien renske op krukken loopt, moet beau haar tas dragen)

Slide 9 - Tekstslide

andere
  • bijwoord (bw)
- zegt iets over een ander woord (niet zn, dan bn) dus over ww, bn, andere bw's. (in lokaal 104 is het heel gezellig)
  • voorzetsel (vz)
- woord dat een tijd, plaats of oorzaak aangeeft. (voor de vakantie is er geen toetsweek) 
  • bijvoeglijk naamwoord (bn)
- zegt iets over een zelfstandig naamwoord. (het mooie boeket) 

Slide 10 - Tekstslide