Leestekens groep 6

Leestekens groep 6
,
!
:
" "
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpellingBasisschoolGroep 6

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Leestekens groep 6
,
!
:
" "

Slide 1 - Tekstslide

Doelen:
Les 1: Vandaag leer ik wanneer ik een komma en een uitroepteken gebruik. Aan het einde van de les kan ik minimaal 7 van de 10 zinnen goed maken en uitleggen waarom het leesteken daar hoort.

Les 2: Vandaag leer ik wanneer ik een dubbele punt en aanhalingstekens gebruik. Aan het einde van de les kan ik minimaal 7 van de 10 zinnen goed maken en uitleggen waarom het leesteken daar hoort.

Slide 2 - Tekstslide

bas was op vakantie in oostenrijk daar ging hij met zijn ouders wandelen in de bergen onderweg kwam hij een heleboel prachtige dieren tegen zoals koeien berggeiten en roofvogels bas maakte van ieder dier een foto thuis vroeg hij aan zijn vader zal ik van deze foto’s een fotoboek maken

Slide 3 - Tekstslide

Wat viel op?

Slide 4 - Woordweb

Bas was op vakantie in Oostenrijk.
Daar ging hij met zijn ouders wandelen in de bergen. 
Onderweg kwam hij een heleboel prachtige dieren tegen, zoals koeien, berggeiten en roofvogels. 
Bas maakte van ieder dier een foto. 
Thuis vroeg hij aan zijn vader: “Zal ik van deze foto’s een fotoboek maken?”

Slide 5 - Tekstslide

Uitroepteken !
Je gebruikt een uitroepteken wanneer iemand iets roept, schreeuwt, heel blij, boos, verbaasd of enthousiast is.

Wacht op mij!
Pas op!
Ik heb het helemaal gehad met die hondenpoep!
Goed gedaan!

Slide 6 - Tekstslide

Schrijf een zin met een uitroepteken

Slide 7 - Open vraag

komma ,

Regel 1: komma bij een opsomming
In mijn tas zitten pennen, schriften, boeken en een broodtrommel.
Regel 2: komma voor sommige voegwoorden
Thijs gaat naar huis, omdat hij ziek is. Thijs gaat naar huis, want hij voelt zich niet lekker.
Regel 3: komma bij directe rede wanneer de zin erna verdergaat
“De sommen zijn best moeilijk”, zei Bram tegen zijn meester.
Regel 4: een komma tussen 2 werkwoorden
Toen ik naar school liep, kwam de zon op.








Slide 8 - Tekstslide

Schrijf een zin met een komma voor een opsomming of voegwoord

Slide 9 - Open vraag

dubbele punt :
1. Bij een opsomming
Neem de volgende spullen mee op reis: een paspoort, zwemkleding en zonnebrandcrème.

2. Bij een citaat of gedachte
Ze keek me aan en zei: "Dit gaan we zeker redden!"
Mijn opa dacht: "Wat zal die taart van oma lekker smaken."

Slide 10 - Tekstslide

Schrijf een zin met een dubbele punt bij een opsomming of bij een citaat/gedachte

Slide 11 - Open vraag

aanhalingstekens " "
Aanhalingstekens laten zien dat iemand iets letterlijk zegt. 
Dat noemen we een citaat.

Marjo zei: “We krijgen eindelijk een konijntje.”
De juf vroeg: “Wie heeft zijn toets al af?”
“We hebben vakantie!”, riep Dirk.

Slide 12 - Tekstslide

Schrijf een zin met aanhalingstekens.

Slide 13 - Open vraag

Welke zin is goed?
A
Ik eet appels peren en bananen.
B
Ik eet appels, peren en bananen.
C
Ik eet appels peren, en bananen.
D
Ik eet, appels peren en bananen.

Slide 14 - Quizvraag

Welke zin is goed?
A
“Ik ben klaar!”, riep Sam.
B
Ik ben klaar!”, riep Sam.
C
“Ik ben klaar!, riep Sam.
D
Ik ben klaar, riep Sam.

Slide 15 - Quizvraag

Welke zin is goed?
A
Wat een mooie tekening!
B
Wat een mooie tekening.
C
Wat een mooie tekening?
D
Wat een mooie tekening,

Slide 16 - Quizvraag

Welke zin is goed?
A
De juf zei “Ga maar zitten.”
B
De juf zei: “Ga maar zitten.”
C
De juf: zei “Ga maar zitten.”
D
De juf zei: “Ga maar zitten”.

Slide 17 - Quizvraag

Welke zin is goed?
A
Dit: moet je onthouden leestekens maken een tekst duidelijker.
B
Dit moet je: onthouden leestekens maken een tekst duidelijker.
C
Dit moet je onthouden leestekens: maken een tekst duidelijker.
D
Dit moet je onthouden: leestekens maken een tekst duidelijker.

Slide 18 - Quizvraag