Regel 1: komma bij een opsomming
In mijn tas zitten pennen, schriften, boeken en een broodtrommel.
Regel 2: komma voor sommige voegwoorden
Thijs gaat naar huis, omdat hij ziek is. Thijs gaat naar huis, want hij voelt zich niet lekker.
Regel 3: komma bij directe rede wanneer de zin erna verdergaat
“De sommen zijn best moeilijk”, zei Bram tegen zijn meester.
Regel 4: een komma tussen 2 werkwoorden
Toen ik naar school liep, kwam de zon op.