Spreekwoorden en uitdrukkingen

Uitbreiding les 3: kleur je taal

Letterlijk en figuurlijk taalgebruik

1 / 42
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsSecundair onderwijs

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Uitbreiding les 3: kleur je taal

Letterlijk en figuurlijk taalgebruik

Bekijk de foto op de volgende dia.

Wat loopt er fout in deze situaties?


Wat loopt er fout in deze situaties?

Een gesprekspartner vat de woorden letterlijk of figuurlijk op en begrijpt niet dat de andere de zaken soms letterlijk of figuurlijk bedoelt.



--> misverstand

Leg kort in eigen woorden uit wat het verschil is tussen figuurlijk en letterlijk taalgebruik.

Zijn de onderstreepte woorden letterlijk of figuurlijk bedoeld?


Jef krijgt weer de schuld... Hij is dan ook altijd het

zwarte schaap.

A

Letterlijk

B

Figuurlijk

C


D



Je gezicht ziet helemaal rood. Komt het door de warmte of ben je grieperig?

A

Letterlijk

B

Figuurlijk

C


D



Volgende week trekken we naar Marokko. Mijn vrienden zien groen van jaloezie.

A

Letterlijk

B

Figuurlijk

C


D



Mijn handen jeuken na de afwas. Ben ik allergisch aan een product?

A

Letterlijk

B

Figuurlijk

C


D



Gezinnen met geldproblemen zien vaak zwarte sneeuw.

A

Letterlijk

B

Figuurlijk

C


D


We vinden figuurlijk taalgebruik ook in spreekwoorden en uitdrukkingen.


Lees de volgende tekst. 


Tom had een gat in zijn hand en gaf zijn geld uit zonder erbij na te denken. Al snel zat hij met de gebakken peren, want hij kon zijn huur niet meer betalen en stond op straat. Zijn vrienden probeerden hem te helpen, maar hij wilde geen water bij de wijn doen en bleef vasthouden aan zijn dure levensstijl.


Op een dag kreeg hij eindelijk een kans op een nieuwe baan, maar omdat hij geen kaas had gegeten van boekhouding, beet hij zijn tanden stuk op de test. Tot overmaat van ramp is hij ook nog eens tegen de lamp gelopen toen hij probeerde een vriend om wat geld te vragen zonder zijn schuld terug te betalen.


Nu stond hij met de rug tegen de muur en moest hij toegeven dat hij zijn leven moest beteren. Misschien moest hij toch maar leren sparen, zodat hij de volgende keer op rozen zat in plaats van in de problemen!

In de tekst zijn er enkele uitdrukkingen/spreekwoorden te vinden. Welke? Geef er minstens drie.

Wat betekenen de volgende spreekwoorden/uitdrukkingen volgens jou?

Met de gebakken peren zitten

Water bij de wijn doen

Ergens geen kaas van hebben gegeten

In de volgende slide, verbind het figuurlijke taalgebruik met het letterlijk taalgebruik


tegen de lamp lopen

werkloos zijn, geen onderdak hebben

Goed met planten en bloemen kunnen omgaan

Vaak stelen

Iemand blij maken met iets wat niet doorgaat


Betrapt worden

Op straat staan

Groene vingers hebben

Lange vingers hebben

Iemand blij maken met een dode mus

Vul de volgende spreekwoorden/uitdrukkingen aan.


Dat kun je wel op je ... schrijven

Nu komt de ... uit de mouw.

Door de ... vallen

Kies het juiste spreekwoord.


"Tim koopt altijd dure kleding en gadgets, maar hij heeft nooit geld over om zijn huur te betalen."

A

Een zware jongen

B

Een gat in zijn hand hebben.

C

Op rozen zitten.

D

Niet in je kaarten laten kijken.

"Emma heeft geen verstand van technologie en snapt niets van haar nieuwe telefoon."

A

Ergens geen kaas van gegeten hebben.

B

Water bij de wijn doen.

C

De mist ingaan.

D

Een lijn trekken.

"Mark beloofde om Lisa te helpen met haar werk, maar op het laatste moment liet hij haar in de steek."

A

Met de rug tegen de muur staan.

B

Iemand in de kou laten staan.

C

Lange tenen hebben.

D

op rozen zitten.

Waar of niet waar


"Ergens zwaar aan tillen" betekent iets belangrijk vinden.

A

Waar

B

Niet waar

C


D


"Het raakt me diep" betekent iemand met opzet erg kwetsen.

A

Waar

B

Niet waar

C


D


"Lange tenen hebben" betekent snel beledigd zijn.

A

Waar

B

Niet waar

C


D


Combineer de juiste helft


Houden

Zitten

Iemand tegen de schenen ... 

Iemand in de kou laten ...

Iemand aan het lijntje ...

Iemand op de hielen ...

Schoppen

Staan 

Kies het passende spreekwoord/ de passende uitdrukking.


Je hebt een probleem en moet nu zelf de gevolgen dragen

A

iemand tegen de schenen schoppen

B

je neus ergens voor ophalen

C

ergen zijn tanden in stukbijten

D

met de gebakken peren zitten

Je hebt een groot geheim en wilt niet dat anderen weten wat je gaat doen.

A

iemand op de hielen zitten

B

niet in je kaarten laten kijken

C

tegen de lamp lopen

D

één lijn trekken

Je weet niet meer wat je moet doen en hoe je verder moet gaan.

A

ergens je neus voor ophalen

B

ergens zwaar aan tillen

C

met de rug tegen de muur staan

D

een gat in zijn hand hebben