YH4-TH6-BS4

1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

  • Terugblik
     
  • Uitleg basisstof 4
     
  • Toets bespreken
     
  • Huiswerk maken

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Is dit een ethogram
en/of een protocol?
A
Zowel een ethogram als een protocol
B
Ethogram
C
Protocol
D
Geen van beiden

Slide 4 - Quizvraag


Wat is ethologie?

A
Het bestuderen van gedrag
B
Het beïnvloeden van gedrag
C
Het gedrag van dieren veranderen
D
Het gedrag van mensen veranderen

Slide 5 - Quizvraag

Wat weet je van een ethogram?

Wat is NIET waar?
A
Je schrijft op wat een dier doet
B
Een gedragshandeling wordt omschreven
C
Je schrijft bijv. op dat een hond agressief is
D
Het is een lijst met beschrijvingen van gedrag

Slide 6 - Quizvraag


Wat is een protocol?

timer
0:10
A
Je schrijft op wat je van het gedrag vindt
B
Een lijst waarop je kunt zien hoe vaak een gedragshandeling voorkomt bij één dier
C
Je schrijft op wat het dier doet
D
Een lijst waarop je kunt zien hoe vaak een gedragshandeling voorkomt bij alle dieren van één soort

Slide 7 - Quizvraag

Voorkennis: Wat is adequaat gedrag?
A
Aangeleerd gedrag
B
Aangeboren gedrag
C
Gedrag dat de fitness van individu verhoogt
D
Baltsgedrag

Slide 8 - Quizvraag

Zet de volgende begrippen in de juiste volgorde. Begin met de kleinste eenheid
timer
0:30
1
2
3
4
gedrag
gedragselement
gedragsketen
gedragssysteem

Slide 9 - Sleepvraag

Voor welke beroepen/instanties is onderzoek naar het gedrag van dieren interessant?

Slide 10 - Open vraag

  Vorming van gedrag
Thema 6
Basisstof 4
blz. 87 

Slide 11 - Tekstslide

Leerdoelen basisstof 4
  • Je kunt toelichten dat gedrag deels erfelijk is bepaald
     
  • Je kunt de dynamische relatie beschrijven tussen een organisme en zijn omgeving

Slide 12 - Tekstslide

BEGRIPPENLIJST
erfelijke/aangeboren eigenschappen
motivatie
periodieke invloeden
voortplantingsprikkel
biologische klok
sleutelprikkel
supranormale prikkel

Slide 13 - Tekstslide

Wat veroorzaakt gedrag?
Gedrag kent verschillende vormen en functies.

We maken onderscheid tussen:
  • Aangeboren gedrag (erfelijke eigenschap)
  • Aangeleerd gedrag (ervaring)

Slide 14 - Tekstslide

factoren die rol spelen bij gedrag

Slide 15 - Tekstslide

Wat veroorzaakt gedrag?
(motivatie)
Motivatie = de bereidheid om een bepaald gedragssysteem uit te voeren

De motivatie wordt bepaald door de interne prikkels en externe prikkels

Motivatie = prikkelsterkte intern + prikkelsterkte extern

Voorbeeld:
Je ziet een heel lekker ijsje (sterke externe prikkel) maar je hebt net gegeten (zwakke interne prikkel). Als het ijsje lekker genoeg lijkt is je motivatie om tot voedingsgedrag (gedragsysteem) over te gaan nog hoog genoeg om het ijsje op te eten. Een portie spruiten levert echter niet een hoog genoege motivatie op om nog te gaan eten. 
Prikkels en motivatie

Slide 16 - Tekstslide

Periodieke invloeden
Interne communicatie geregeld door hormoonstelsel en zenuwstelsel. Dit beïnvloedt weer motivatie voor bepaald gedrag. Concentratie hormonen veroorzaken voortplantingsgedrag, maar daglengte beïnvloedt ook voortplantingsgedrag. 

Slide 17 - Tekstslide

Biologische klok

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Video

sleutelprikkel

Slide 20 - Tekstslide

supranormale prikkel

Slide 21 - Tekstslide

Sleutelprikkels bij mensen

Slide 22 - Tekstslide

Welke van deze honden zou je het liefst verzorgen?

Slide 23 - Tekstslide


De rode kleur in de bek van het koekoeksjong is een ... voor de heggenmus om het koekoeksjong te voeren, zelfs vaker dan zijn eigen jongen.
A
sleutelprikkel
B
impuls
C
prikkel
D
supranormale prikkel

Slide 24 - Quizvraag

Hiernaast zie je een mannetjes en vrouwtjes stekelbaars. Wat zou voor een mannetje de sleutelprikkel kunnen zijn om een ander mannetje wel, maar een vrouwtje niet weg te jagen uit zijn territorium?
A
De stekels op de rug
B
De buikvin
C
De lengte van de vis
D
De rode buik

Slide 25 - Quizvraag

Waardoor komt het dat de niet realistische modellen wel een respons opwekken?
A
Het realistische model schrikt af
B
Het realistische model is niet rood, die andere modellen wel.
C
Een vis wordt meer aangetrokken tot niet stekelige voorwerpen.
D
De rode modellen bevatten geen sleutelprikkels

Slide 26 - Quizvraag

Slide 27 - Video

Van welke type prikkel maken reclamemakers gebruik? En wat is het doel hiervan?
A
Sleutelprikkel; Grotere verkoop
B
Sleutelprikkel; Mensen blij maken
C
Supranormale prikkel; Grotere verkoop
D
Supranormale prikkel; mensen blij maken

Slide 28 - Quizvraag

begrippen
sleutelprikkel 
* prikkel die een doorslaggevende rol speelt bij het vormen van gedrag
* door een sleutelprikkel komt erfelijk gedrag tot uiting

supranormale prikkel
* prikkel die een sterkere motivatie en grotere kans op respons opwekt
* deze respons is erfelijk bepaald en is voorspelbaar

Slide 29 - Tekstslide

begrippen
motivatie
* bereidheid om bepaald gedrag uit te voeren, bepaalt kans op gedrag 
* hoe groter interne en/of externe prikkels, hoe groter motivatie

adequaat gedrag
* vergroot kans op overleven + vergroot fitness (aantal nakomelingen)
* wordt doorgegeven via genen en leren
* frequentie gedrag neemt toe door natuurlijke selectie

Slide 30 - Tekstslide

Huiswerk     5 april

Thema 6, Basisstof 3 opdracht 23 t/m 28
  
Thema 6, Basisstof 4 opdracht 30 t/m 37 

Slide 31 - Tekstslide