GPL periode 2

Eind periode 2 
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
VerzorgendeMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Eind periode 2 

Slide 1 - Tekstslide

Medicijnen
  • bloedsuikerprikken
  • insuline injecteren
  • sc injecteren
  • im injecteren

Slide 2 - Tekstslide

noem de regel van 5

Slide 3 - Woordweb

Medicijnen uitzetten, betekent dat je de medicijnen klaarzet.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 4 - Quizvraag

Het cutaan toedienen van een medicijn betekent dat het medicijn:
A
Via het rectum wordt toegediend
B
Onder de tong wordt toegediend
C
Via een injectie wordt toegediend
D
Via de huid wordt toegediend

Slide 5 - Quizvraag

Cumulatie betekent
A
geen opname in het lichaam
B
ophoping
C
gewenning
D
ontwenningsverschijnselen

Slide 6 - Quizvraag

wat weet je over
bloedsuiker prikken

Slide 7 - Woordweb

welk antwoord is juist
A
De alvleesklier maakt het hormoon insuline aan
B
Insuline brengt glucose naar de lichaamscellen
C
Mensen met diabetes mellitus hebben een tekort aan insuline
D
Alle antwoorden zijn juist

Slide 8 - Quizvraag

Hypoglycemie betekent dat er te weinig glucose in het bloed is
A
juist
B
onjuist

Slide 9 - Quizvraag

bij een hypo laat je de patiënt veel water drinken
A
juist
B
onjuist

Slide 10 - Quizvraag

moeheid, slaperigheid, droge tong,
vaak plassen en dorst
bovenstaande zijn klachten die bij een hyper horen
A
juist
B
onjuist

Slide 11 - Quizvraag

Slide 12 - Tekstslide

wat weet je over
injecteren

Slide 13 - Woordweb

welk antwoord is juist
A
Intracutaan: toedienen van medicijnen via de lederhuid.
B
Subcutaan: toedienen van medicijnen via het onderhuidse bindweefsel.
C
beide

Slide 14 - Quizvraag

bij een subcutane injectie breng je de naald in bij een hoek van
A
30°
B
45°
C
60°
D
90°

Slide 15 - Quizvraag

Desinfecteer voor het openen de hals van de ampul
A
juist
B
onjuist

Slide 16 - Quizvraag

desinfecteer de huid voor dat je gaat injecteren
A
juist
B
onjuist

Slide 17 - Quizvraag

een kant en klare spuit moet je altijd ontluchten

Slide 18 - Open vraag

Nadat je de ademhaling hebt gecontroleerd bij een slachtoffer bel/ laat je 112 bellen
A
juist
B
onjuist

Slide 19 - Quizvraag

Als je start met reanimeren is dat
2-30
A
juist
B
onjuist

Slide 20 - Quizvraag

Wat zit er allemaal bij een AED in de tas?

Slide 21 - Woordweb

Slide 22 - Tekstslide