De leerlingen kunnen
uitleggen wat
diversiteit betekent.
De leerlingen kunnen respectvol omgaan met verschillen tussen mensen.
De leerlingen kunnen informatie uit een artikel duidelijk presenteren aan elkaar.
De leerlingen kunnen belangrijke begrippen zoals stereotype, vooroordeel, discriminatie en referentiekader correct gebruiken tijdens de presentatie.
De leerlingen nemen actief deel aan een klasgesprek.
De leerlingen tonen dat ze constructief kunnen samenwerken aan de hand van hun presentatie.
De leerlingen kunnen uitleggen waarom stereotypen en vooroordelen kwetsend of onjuist kunnen zijn.
De leerlingen kunnen nadenken over hun eigen vooroordelen.
De leerlingen leggen bij het begin van de les hun werkboek klaar.