18 juni_leesvaardigheid_havo 3

Gebruik je boek als je er niet uit komt. 
Paragrafen 1.2, 2.2, 3.2 en 4.2. 
De eerste 12 vragen zijn algemene vragen. Daarna lees je tekst 1 en beantwoord je de vragen over deze tekst. 
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

Gebruik je boek als je er niet uit komt. 
Paragrafen 1.2, 2.2, 3.2 en 4.2. 
De eerste 12 vragen zijn algemene vragen. Daarna lees je tekst 1 en beantwoord je de vragen over deze tekst. 

Slide 1 - Tekstslide

Schrijf vier manieren op die een schrijver kan gebruiken om zijn tekst in te leiden.

Slide 2 - Open vraag

Op welke drie manieren kan de schrijver zijn tekst afsluiten?

Slide 3 - Open vraag

Op welke manier kun je alinea's in het middenstuk verbinden?

Slide 4 - Open vraag

Op welke plaats staat de kernzin van een alinea meestal

Slide 5 - Open vraag

Op welke andere plaatsen kan de kernzin van een alinea voorkomen?

Slide 6 - Open vraag

Waaruit bestaat de rest van de alinea?

Slide 7 - Open vraag

Beschrijf in één zin wat wordt bedoeld met de hoofdgedachte van een tekst?

Slide 8 - Open vraag

Schrijf het tekstdoel bij de volgende tekstsoorten op:
- een uiteenzettende tekst
- een betogende tekst

Slide 9 - Open vraag

Schrijf bij elke tekstoort van vraag 9 twee tekstvormen op.

Slide 10 - Open vraag

Bij welke tekstsoort hoor de tekstvorm reclametekst?

Slide 11 - Open vraag

Is een tekst waarin de mening van anderen wordt vermeld een objectie of subjectieve tekst? Leg je antwoord uit.

Slide 12 - Open vraag

Schrijf op bij welk verband de volgende signaal woorden horen:
- maar
- om ... te
- omdat
- doordat

Slide 13 - Open vraag

Lees de tekst 'Wat eten we in 2050'? intensief.
Beantwoord vervolgens de vragen. 

Slide 14 - Tekstslide

Welke manieren gebruikt de schrijver in de inleiding?

Slide 15 - Open vraag

Schrijf in eigen woorden het probleem op dat in deze tekst centraal staat.

Slide 16 - Open vraag

Schrijf op waarnaar de volgende woorden verwijzen. Schrijf ook het regelnummer op.
- die (regel 3)
- Dat (regel 7)
- dat (regel 20)
- er ... aan (regel 29)
- Daarvoor (regel 30)
- ze (regel 49)

Slide 17 - Open vraag

Schrijf de kernzin van alinea 3 op.

Slide 18 - Open vraag

Welk tekort bedoelt de schrijver in de eerste zin van alinea 4?

Slide 19 - Open vraag

In alinea 4 is sprake van het verband 'tegenstelling'.
- Schrijf het woord/de woorden op die dit verband aangeven.
- Schrijf beide delen van dit verband op.

Slide 20 - Open vraag

'Er is ... zullen verhongeren' (regel 23 -25). Wat bedoelt de schrijver met 'dat' in deze zin?

Slide 21 - Open vraag

Past het tussenkopje 'Onmogelijk' goed bij de inhoud van alinea 4. Leg je antwoord uit.

Slide 22 - Open vraag

Schrijf de kernzin van alinea 5 op.

Slide 23 - Open vraag

In alinea 5 staat twee keer een signaalwoord met het verband 'tegenstelling'.
- schrijf de signaalwoorden op
- schrijf bij het tweede signaalwoord de delen van het verband op

Slide 24 - Open vraag

Past het tussenkopje 'Kweek uw eigen biefstuk' bij de inhoud van de alinea?
Leg je antwoord uit.

Slide 25 - Open vraag

In het tekstdeel 'Een kilo .... koeien' (regel 37 - 42) is sprake van het tekstverband 'opsomming'. Schrijf de signaalwoorden van dit verband uit dit tekstdeel op.

Slide 26 - Open vraag

Welke voordelen bieden insecten als vervangers voor vlees?

Slide 27 - Open vraag

Wat is het probleem dat de schrijver in alinea 7 aan de orde stelt?

Slide 28 - Open vraag

Kun je de vraag 'Wat eten we in 2050?' na het lezen van deze tekst beantwoorden. Leg je antwoord uit.

Slide 29 - Open vraag

Welke van de twee alternatieve voedselbronnen is op dit moment het meest voor de hand liggend? Leg je antwoord uit.

Slide 30 - Open vraag

Schrijf het tekstdoel van tekst 2 op.

Slide 31 - Open vraag