H5.2 Een eigen bedrijf

Welkom Kader 3! 
H5.2 Een eigen bedrijf 


1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Welkom Kader 3! 
H5.2 Een eigen bedrijf 


Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we vandaag doen?
1. LessonUp klas toevoegen
2.  Nieuwe stof 5.2 
3. Aan de slag! 

Slide 2 - Tekstslide

LessonUp klas toevoegen 
Klik op de link in teams of voeg de klas toe met de code: 

oyppx

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Waar denken jullie aan bij het begrip:
een eigen bedrijf ?

Slide 5 - Woordweb

Leerdoelen
Je leert in deze paragraaf:
  • Welke soorten ondernemingen er zijn
  • Wie er verantwoordelijk is voor een onderneming
  • Hoe bedrijfstakken worden ingedeeld

Slide 6 - Tekstslide

§ 5.2 Een eigen bedrijf
Arbeidsmotieven
  • om een inkomen te verdienen
  • om nuttig en zinvol bezig te zijn
  • voor de contacten die het werk oplevert
  • omdat een baan regelmaat aan je leven geeft
  • omdat je in je werk nieuwe dingen kunt leren

Al dit soort redenen om te willen werken noem je arbeidsmotieven

Slide 7 - Tekstslide

Welk arbeidsmotief hoort bij deze uitspraak:

' Het leuke van mijn werk is dat is steeds ergens anders kom. ik kom steeds andere mensen tegen.'
A
Nuttig en zinvol bezig zijn
B
Leert nieuwe dingen
C
Sociale contacten
D
Zorgt voor regelmaat

Slide 8 - Quizvraag

ZZP'ers
De meeste mensen werken als werknemer in loondienst. Maar je kunt ook als zelfstandig ondernemer werken. Je verdient je inkomen met je eigen bedrijf. 



Een zzp’er is een zelfstandige zonder personeel. 

Slide 9 - Tekstslide

Waar moet een zelfstandig ondernemer zich inschrijven?
A
De gemeente
B
Handelsregister
C
Kamer van Koophandel (KvK)
D
Verkoopregister

Slide 10 - Quizvraag

Ondernemingsvormen
Een zelfstandig ondernemer moet zich inschrijven bij de Kamer van Koophandel
(KvK) en een ondernemingsvorm (rechtsvorm) kiezen.

De ondernemingsvorm geeft aan:
  • wie de eigenaar van het bedrijf is
  • wie op welke manier verantwoordelijk is voor het bedrijf


Slide 11 - Tekstslide

Ondernemingsvormen
  • Eenmanszaak
  • vof (vennootschap onder firma)
  • bv (besloten vennootschap)
  • nv (naamloze vennootschap)

Slide 12 - Tekstslide

Voor welke ondernemingsvorm zou een zzp'er kiezen?
A
bv
B
vof
C
nv
D
eenmanszaak

Slide 13 - Quizvraag

Eenmanszaak
In een eenmanszaak is één persoon de eigenaar, maar die kan wel personeel in dienst hebben. 

Als een eenmanszaak schulden heeft, moet de eigenaar die desnoods met zijn privégeld afbetalen. 

Een zzp’er kiest meestal voor een eenmanszaak als ondernemingsvorm.

Slide 14 - Tekstslide

VOF
Vennootschap onder firma is een ondernemingsvorm waarbij meer eigenaren samen de leiding hebben. 

De eigenaren heten vennoten of firmanten. 

Met een vof kun je samen meer eigen geld in de zaak steken en kun je de taken verdelen.

De eigenaren kunnen personeel in dienst hebben.
Ook de eigenaren van een vof lopen het risico dat ze schulden van het bedrijf met hun privégeld moeten afbetalen.

Slide 15 - Tekstslide

BV
Als een eigenaar niet met zijn privévermogen aansprakelijk wil zijn, kan hij een bv oprichten. 

De bv is eigendom van de aandeelhouders. De aandelen staan op naam van de eigenaren (soms is het er maar één).


De directeur is een werknemer en ontvangt salaris


De aandeelhouders hebben samen recht op de winst. De winst die wordt uitgekeerd, heet dividend.
 als de bv failliet gaat, zijn de aandeelhouders het geld van hun aandeel kwijt, maar ze zijn niet aansprakelijk met hun privévermogen. 


Slide 16 - Tekstslide

NV

De ondernemingsvorm van verschillende grote bedrijven is de nv (naamloze vennootschap). De kenmerken van een nv zijn bijna hetzelfde als van een bv.
 
Het verschil is dat iedereen aandeelhouder kan worden van een nv. De aandelen van deze bedrijven worden verhandeld op de beurs.



Slide 17 - Tekstslide

Bekijk de afbeelding. Van welke ondernemingsvorm is hier sprake?
A
eenmanszaak
B
vof
C
nv

Slide 18 - Quizvraag

Productiesectoren 
In onze samenleving vinden arbeid en productie plaats in de volgende vier productiesectoren:

  1. Primaire sector (landbouwsector): deze sector levert voedsel, grondstoffen en delfstoffen.
  2. Secundaire sector (industriesector): deze sector verwerkt de grondstoffen tot producten.
  3. Tertiaire sector (commerciële dienstverlening): in deze sector vind je bedrijven uit de commerciële dienstverlening. Zij zijn op winst gericht.
  4. Quartaire sector (niet-commerciële dienstverlening): in deze sector vind je bedrijven en organisaties die ook diensten verlenen, maar die geen winst maken, zoals de overheid.

Slide 19 - Tekstslide

Bekijk de afbeelding. Van welke productiesector is hier sprake?
A
primaire
B
tertiaire
C
secundaire
D
quartaire

Slide 20 - Quizvraag

Bekijk de afbeelding. Van welke productiesector is hier sprake?
A
primaire
B
tertiaire
C
secundaire
D
quartaire

Slide 21 - Quizvraag

Slide 22 - Tekstslide

Opdrachten maken
Aan de slag!
Maken/huiswerk: Opdrachten van § 5.2
Opdracht 12 t/m 26






Slide 23 - Tekstslide