Les 15 Eten en drinken

Eten en drinken

1 / 32
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNT2Secondary EducationAge 11

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Eten en drinken

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoel

Ik kan woorden over eten en drinken begrijpen en gebruiken, en ik kan de werkwoorden eten en drinken goed vervoegen.

Deze slide heeft geen instructies

Welke woorden over eten en drinken ken jij al?

Gebruik de inzendingen om voorkennis te activeren. Vraag daarna kort welke woorden over eten, drinken, fruit of groenten gaan.

Werkwoorden: eten en drinken

In deze les leer je twee belangrijke werkwoorden:


  • eten (eat)

  • drinken (drink)


Je gebruikt deze woorden elke dag, bijvoorbeeld bij ontbijt (breakfast), lunch (lunch) en avondeten (diner- supper).

Benadruk dat NT2-leerders deze werkwoorden vaak meteen nodig hebben in dagelijkse gesprekken: thuis, in de winkel en op school.

Vervoeging van eten

  • ik eet (I)

  • jij eet (you, single person)

  • u eet (you, formal single)

  • hij/zij eet (he-she)

  • wij eten (we)

  • jullie eten (you, plural)

  • zij eten (they)

Wijs op het verschil tussen enkelvoud en meervoud. Laat eventueel ook horen dat de stam hier verandert: eten → eet.

Vervoeging van drinken

  • ik drink

  • jij drinkt

  • u drinkt

  • hij/zij drinkt

  • wij drinken

  • jullie drinken

  • zij drinken

Benadruk de -t bij jij/u/hij/zij. Vergelijk kort met eten, zodat leerlingen een patroon zien.

Nieuwe woorden

eten (eat)

drinken (drink)

water (water)

melk (milk)

limonade (lemonade)

frisdrank (soft drink)

mes (knife)

vork (fork)

lepel (spoon)

bestek (cutlery)

Deze slide heeft geen instructies

Eten of drinken?

  • Je eet vast voedsel (solid food): brood, fruit, groenten, vlees.

  • Je drinkt vloeistoffen (liquids): water, thee, melk, sap.

  • Voorbeeld: Ik eet een appel.

  • Voorbeeld: Ik drink water.

Noem eventueel dat sommige producten beide vormen kunnen hebben, maar houd de basis eenvoudig: vast = eten, vloeibaar = drinken.

Welke zin is goed?

A

Ik drinken water.

B

Ik eet water.

C

Ik drink water.

D

Ik drinkt water.

Controleert het verschil tussen eten en drinken én de vervoeging van ik drink.

Eten en drinken invullen

Ik eet een appel en jij drinkt water. Wij eten brood en zij drinken thee.

eet
drinkt
eten
drinken
drink
eet
drinkt
eten

Laat leerlingen letten op onderwerp + werkwoordsvorm en op vast voedsel tegenover vloeistof.

Woordenschat: fruit

  • appel (apple)

  • peer (pear)

  • banaan (banana)

  • sinasappel (orange)

  • mandarijn (manderin)

  • fruit (fruit)

Spreek de woorden duidelijk uit en let op het lidwoord waar passend in mondelinge toelichting: de appel, de peer, de banaan.

Fruit in zinnen

  • Ik eet een appel.

  • Jij eet een banaan.

  • Wij eten fruit.

  • Zij eten een mandarijn.

  • Hij eet een peer.

Gebruik deze slide om woordenschat en vervoeging samen te brengen. Laat leerlingen het werkwoord herkennen in elke zin.

Woordenschat: groenten

  • groenten (vegetables)

  • sla (lettuce- salad)

  • komkommer (cucumber)

  • broccoli (broccoli)

  • bloemkool (cauliflower)

  • spruitjes (brussels sprouts)

Leg uit dat groenten een verzamelwoord is. Je kunt zeggen: 'Ik eet groenten.'

Meer groenten

  • tomaat (tomato)

  • maïs (maïs)

  • avocado (avocado)

  • prei (leek)

  • ui (onion)


Dit zijn ook woorden over eten.

Je kunt kort benoemen dat avocado soms als fruit wordt gezien, maar in deze les gaat het vooral om de woordenschat.

Groenten in zinnen

  • Ik eet sla.

  • Hij eet tomaat.

  • Wij eten broccoli.

  • Jullie eten bloemkool.

  • Zij eten ui en prei.

Let op uitspraak van ui en prei; dat is voor NT2-leerders vaak nuttig om extra te oefenen.

Zinnen oplezen

Ik snijd met een mes.

Hij snijdt met een mes.

Op de tafel liggen 4 messen.

Ik eet soep met een lepel.

Er liggen drie lepels bij het bord (plate).

Ik eet met mes en vork.

Ik dek de tafel met bestek. (I put the cutlery on the table- I am setting the table)

Deze slide heeft geen instructies

Welk woord hoort bij fruit?

A

broccoli

B

peer

C

prei

D

ui

De afleiders komen uit de groentenslides, zodat leerlingen echt moeten onderscheiden tussen fruit en groenten.

Warm en koud

Eten en drinken kunnen warm of koud zijn.


  • soep = warm

  • thee = warm

  • water = koud

  • salade = koud

Houd het onderscheid concreet en dagelijks. Vermijd uitzonderingen; focus op basisbetekenis.

Warm en koud in zinnen

  • De soep is warm. Ik eet de soep met een lepel.

  • De thee is warm. Hij drinkt de thee uit een kopje.

  • Het water is koud. Het water zit in een glas.

  • De salade is koud. Wij eten graag salade.

  • Ik drink koude melk. De melk zit in een witte beker. (white cup)

Wijs eventueel kort op het verschil tussen 'is koud' en 'koude melk' als voorbeeld van gebruik in een zin.

Wat is meestal koud?

A

soep

B

thee

C

salade

D

broccoli

Gebaseerd op de voorbeelden: soep en thee zijn warm, salade en water zijn koud.

Wat vind jij makkelijker?

1

warm en koud

2

fruit

3

groenten

4

eten en drinken

Deze slide heeft geen instructies

Bakken, braden, koken

Dit zijn woorden voor eten klaarmaken:


  • bakken (bake)

  • braden (roast)

  • koken (cook)


Je gebruikt deze woorden in de keuken.

Leg eenvoudig uit: koken in water, bakken in pan of oven, braden vaak vlees in vet of pan/oven.

Wat betekenen deze woorden?

  • koken = eten klaarmaken in heet water

  • bakken = eten klaarmaken in een pan of oven

  • braden = vooral vlees klaarmaken in vet, pan of oven

Houd de definities functioneel. Het doel is woordbegrip, niet culinair detail.

In de keuken

  • Ik kook broccoli. De broccoli is groen.

  • Jij bakt een ui. De ui gaat in de pan.

  • Hij braadt vlees. Het vlees gaat in de koekenpan.

  • Wij koken maïs. De maïs is geel.

  • Zij bakken tomaat. De tomaten zijn rood.

Sommige voorbeelden zijn taalgericht en niet per se de meest gebruikelijke bereiding. Dat is prima: de focus ligt op woordenschat en zinsbouw.

Wat betekent koken?

A

in vet klaarmaken

B

in water klaarmaken

C

koud opdienen

D

rauw eten

Toetst het kernverschil tussen koken, bakken en braden.

In de keuken

Ik kook broccoli in water. Jij bakt een ui in de pan. Hij braadt vlees en wij koken maïs.

kook
bakt
braadt
koken
eet
drinkt
warm
koud

De zinnen sluiten direct aan bij de voorbeelden op de contentslides over de keuken.

Vlees, kip en vis

  • vlees (meat)

  • kip (chicken)

  • vis (fish)


Dit zijn woorden voor verschillende soorten eten.

Je kunt kort uitleggen dat kip een soort vlees is, maar dat het in het dagelijks taalgebruik vaak apart genoemd wordt.

Vlees, kip en vis in zinnen

  • Ik eet vlees. Ik houd van vlees.

  • Jij eet kip. De kip is lekker.

  • Wij eten vis. De vis is gebakken.

  • Hij bakt kip. De kip smaakt lekker.

  • Zij braadt vlees. Het vlees gaat in de koekenpan.

Verbind deze slide met eerdere subtopics: eten, bakken en braden komen hier samen.

Woorden samen gebruiken

Je kunt de nieuwe woorden combineren in één zin.


  • Ik eet warm eten. Ik houd van eten dat warm is.

  • Wij koken groenten. De groenten worden gekookt.

  • Zij drinken koud water. Het water is lekker koud.

  • Hij eet vis en broccoli. Zijn avondeten is gezond. (healthy)

Dit is de samenvattende toepassingsslide van de laatste subtopic: leerlingen zien hoe woordenschat en grammatica samenkomen.

Welke zin is goed?

A

Zij drinken koud water.

B

Zij eten koud water.

C

Zij braden koud water.

D

Zij bakken koud water.

Verbindt het laatste blok: drinken, koud en zinsbouw.

Woorden samen gebruiken

Hij eet vis en broccoli. Wij koken groenten. Zij drinken koud water en ik eet warm eten.

vis
koken
koud
warm
bakken
thee
fruit

Hier komen woordenschat en grammatica uit meerdere slides samen.

Wat weet je nu?

Laten we dit testen in de quizzzzzz!!!

Deze slide heeft geen instructies