Básis Gramatica

1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

1. Schrijf alle begroetingen die jij kent

Slide 2 - Open vraag

Slide 3 - Tekstslide

2. Schrijf alle afscheid begroetingen die jij kent

Slide 4 - Open vraag

Slide 5 - Tekstslide

3. Bepaalde en onbepaalde lidwoorden
In het Nederlands gebruiken we de lidwoorden de, het, een en een paar.
Wat weet je over de bepaalde en onbepaalde lidwoorden in het Spaans?

Slide 6 - Open vraag

Bepaalde lidwoorden (de / het)
Bepaalde lidwoorden gebruik je wanneer je over iets specifieks praat. 

| *el* | de / het (mannelijk) | el libro (het boek) |
| *la* | de / het (vrouwelijk) | la casa (het huis) |
| *los** | de (mannelijk meervoud) | los estudiantes (de studenten) |
| *las* | de (vrouwelijk meervoud) | las mesas (de tafels) |

Voorbeeldzinnen: 
El profesor habla con los estudiantes. /  De docent praat met de studenten. 
                                         La puerta está abierta. / De deur is open.


2. Onbepaalde lidwoorden (een)
Onbepaalde lidwoorden gebruik je wanneer iets niet specifiek is.

un een (mannelijk) un libro (een boek)
una een (vrouwelijk) una mesa (een tafel)
unos een paar / enkele (mannelijk) unos amigos (een paar vrienden)
unas een paar / enkele (vrouwelijk) unas flores (een paar bloemen)

Voorbeeldzinnen:
Un estudiante habla español. / Een student spreekt Spaan 
Una profesora trabaja aquí. / Een docent werkt hier.

Belangrijk: In het Spaans zijn zelfstandige naamwoorden mannelijk of vrouwelijk, daarom verandert het lidwoord mee. Voorbeeld: el hotel, la ciudad

Slide 7 - Tekstslide

4. Zelfstandige naamwoorden
Wat weet je over mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het Spaans?
Leg uit wanneer een zelfstandig naamwoord mannelijk of vrouwelijk is en noem ook enkele uitzonderingen.

Slide 8 - Open vraag

Slide 9 - Tekstslide

4. Bijvoegelijke naamwoorden
Wat weet je over mannelijke en vrouwelijke Bijvoegelijke naamwoorden in het Spaans?
Leg uit wanneer een bijvoegelijke naamwoord mannelijk of vrouwelijk is en noem ook enkele uitzonderingen.

Slide 10 - Open vraag

Slide 11 - Tekstslide

5. Regelmatige werkwoorden
Wat weet je over regelmatige werkwoorden in het Spaans? Leg uit hoe ze worden vervoegd en geef enkele voorbeelden.

Slide 12 - Open vraag

Slide 13 - Tekstslide

6. Vervoeg de volgende regelmatige werkwoord
HABLAR

Slide 14 - Open vraag

6. Vervoeg de volgende regelmatige werkwoord
COMER

Slide 15 - Open vraag

7. Vervoeg de volgende regelmatige werkwoord
VIVIR

Slide 16 - Open vraag

Slide 17 - Tekstslide

7. Vervoeg de volgende ONregelmatige werkwoord
SER

Slide 18 - Open vraag

8. Vervoeg de volgende ONregelmatige werkwoord
ESTAR

Slide 19 - Open vraag

8. Vervoeg de volgende ONregelmatige werkwoord
TENER, HACER, QUERER

Slide 20 - Open vraag

9. Wanneer gebruik je het werkwoord TENER?

Slide 21 - Open vraag

Slide 22 - Tekstslide

10. Wat is het verschil tussen TENER en TENER QUE?

Slide 23 - Open vraag

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

11. Wat betekend:
YO HE COMIDO
YO HE RESERVADO
YO HE VIVIDO

Slide 26 - Open vraag

12. Verleden tijd
Wat moet je doen als je een werkwoord in de verleden tijd wilt schrijven?
Welke regels horen daarbij? Geef ook een paar voorbeelden.

Slide 27 - Open vraag

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide