uitleg les 7 capaciteit en vervoeren van elektrische energie

mavo 4 natuurkunde
les capaciteit en vervoeren van elektrische energie
Goedendag, fijn dat jullie er zijn
  • Telefoon in de telefoontas
  • Boek, schrift, pen, rekenmachine, geodriehoek op tafel
  • Zitten volgens de opstelling
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
naskMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 2-4

In deze les zitten 25 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

mavo 4 natuurkunde
les capaciteit en vervoeren van elektrische energie
Goedendag, fijn dat jullie er zijn
  • Telefoon in de telefoontas
  • Boek, schrift, pen, rekenmachine, geodriehoek op tafel
  • Zitten volgens de opstelling

Slide 1 - Tekstslide

Starter for ten, maak de vraag in je schrift
Bekijk de situatie.
Dit is het stroomgebruik van een speelgoedtreintje. Het speelgoedtreintje wordt aangesloten op een gelijkspanning element als spanningsbron.
  • maak het schakelschema
  • bereken de elektrische energie die gebruikt wordt als Jantje twee en een half uur met het treintje speelt.

Slide 2 - Tekstslide

Berekening
Vraag: E = ?

Gegevens:
U = 2 V
I = 0,025 A
t = 2,5 uur = 2,5 x 3600 = 9000 s
E=Pt

Slide 3 - Tekstslide

Berekening
Vraag: E = ?

Gegevens:
U = 2,0 V
I = 0,025 A
t = 2,5 uur = 2,5 x 3600 = 9000 s
P = 0,050 W

E = 450 J
E=Pt
P=UI
P=2,00,025
E=0,0509000

Slide 4 - Tekstslide

Doelen, wat gaan we doen.
  • Uitleg wat de capaciteit is en rekenen met de capaciteit.
  • Uitleg hoe de elektrische stroom wordt vervoerd.
  • Uitleg hoe een transformator werkt.

Slide 5 - Tekstslide

Weerstand berekenen
Bereken de weerstand van een elektrische kachel.
De elektrische kachel werkt op het lichtnet en heeft een vermogen van 2,5 kW
(je moet in twee stappen het antwoord berekenen)

Slide 6 - Tekstslide

Berekening
Vraag: R = ?

Gegevens:
U = 230 V
I = ??? A
P = 2,5 kW = 25 hW = 250 daW = 2500 W
R=IU

Slide 7 - Tekstslide

Berekening
Vraag: R = ?

Gegevens:
U = 230 V
I = ??? A
P = 2,5 kW = 25 hW = 250 daW = 2500 W
I = 10,9 A

R = 21,1 
P=UI
2500=230I
R=IU
I=2302500
R=10,9230
Ω

Slide 8 - Tekstslide

De capaciteit
In een batterij zit de elektrische energie opgeslagen als chemische energie. Als de batterij wordt gebruikt dan vindt er in de batterij een chemische reactie plaats. Als de chemische stoffen op zijn is de batterij "leeg".

Bij een oplaadbare batterij wordt de chemische reactie tijdens het opladen omgedraaid zodat er weer meer chemische stoffen komen die met elkaar kunnen reageren.

De hoeveelheid energie die in een volle batterij zit noemen we de capaciteit. 
De capaciteit geven we aan met de hoofdletter C

Slide 9 - Tekstslide

De capaciteit
Om de waarde van de capaciteit te bepalen laten we de batterij in een uur leeglopen en kijken we wat dan de geleverde stroomsterkte is.

Slide 10 - Tekstslide

De capaciteit
Voorbeeld: 
Een batterij met een capaciteit van 1800 mAh kan 1 uur werken als hij 1800 mA geeft.
gebruikt het apparaat maar 600 mAh Hoe lang kan de batterij dan mee?




De capaciteit kun je berekenen met de formule:
C = capaciteit in Ah of mAh
I = stroomsterkte in A of mA
t = tijd in h


je kunt dan 3 x 600 mAh gebruiken dus 3 uur
C=It

Slide 11 - Tekstslide

Bereken de capaciteit
In een schakeling zit een lampje dat op 1,5 V werkt.
Het lampje heeft een vermogen van van 0,12 W
Het lampje krijgt de energie van een batterij die een capaciteit heeft van 2700 mAh
Bereken de tijd die het lampje kan branden met deze batterij.

Slide 12 - Tekstslide

Oplossing ==> noteer de vraag
vraag: t = ?

In een schakeling zit een lampje dat op 1,5 V werkt.
Het lampje heeft een vermogen van van 0,12 W
Het lampje krijgt de energie van een batterij die een capaciteit heeft van 2700 mAh
Bereken de tijd die het lampje kan branden met deze batterij.

Slide 13 - Tekstslide

Oplossing ==> noteer de mogelijke formule
C = I . t
E = P . t
vraag: t = ?

In een schakeling zit een lampje dat op 1,5 V werkt.
Het lampje heeft een vermogen van van 0,12 W
Het lampje krijgt de energie van een batterij die een capaciteit heeft van 2700 mAh
Bereken de tijd die het lampje kan branden met deze batterij.

Slide 14 - Tekstslide

Oplossing ==> noteer de gegevens
C = I . t
E = P . t
vraag: t = ?
U = 1,5 V
P = 0,12 W
C = 2700 mAh
In een schakeling zit een lampje dat op 1,5 V werkt.
Het lampje heeft een vermogen van van 0,12 W
Het lampje krijgt de energie van een batterij die een capaciteit heeft van 2700 mAh
Bereken de tijd die het lampje kan branden met deze batterij.

Slide 15 - Tekstslide

Oplossing => Energie niet uit te rekenen
                    Voor capaciteit is de I nodig, is wel mogelijk
C = I . t
E = P . t
P = U . I  (dus               ) 
vraag: t = ?
U = 1,5 V
P = 0,12 W
C = 2700 mAh
In een schakeling zit een lampje dat op 1,5 V werkt.
Het lampje heeft een vermogen van van 0,12 W
Het lampje krijgt de energie van een batterij die een capaciteit heeft van 2700 mAh
Bereken de tijd die het lampje kan branden met deze batterij.
I=UP

Slide 16 - Tekstslide

Oplossing => Eerst bereken van I, daarna van de tijd

C = I . t  (dus              ) 
E = P . t
P = U . I  (dus               ) 
vraag: t = ?
U = 1,5 V
P = 0,12 W
C = 2700 mAh
I = 0,08 A  = 0,8 dA = 8 cA = 80 mA

t = 35 h  
In een schakeling zit een lampje dat op 1,5 V werkt.
Het lampje heeft een vermogen van van 0,12 W
Het lampje krijgt de energie van een batterij die een capaciteit heeft van 2700 mAh
Bereken de tijd die het lampje kan branden met deze batterij.
I=UP
t=IC
I=1,50,12
t=802800

Slide 17 - Tekstslide

Vervoeren van elektrische energie

Slide 18 - Tekstslide

Vervoer van elektrische energie
Om zo min mogelijk energie te verliezen tijdens het vervoer van de elektrische energie moeten we er voor zorgen dat er zo min mogelijk warmte ontstaat in de kabel (dankzij de weerstand) maar wel met zoveel mogelijk energie.

Voor de energie kijken we naar de energie per seconde.
Hoe noemen we de energie die in een seconde wordt gebruikt?
vermogen (P)

Slide 19 - Tekstslide

Vervoer van elektrische energie
Met welke formule berekenen we het vermogen?
P = U . I

Slide 20 - Tekstslide

Vervoer van elektrische energie
Wanneer denk je dat een stroomdraad warmer wordt?
Als er veel elektronen per seconde door de stroomdraad gaan of als er weinig elektronen per seconde door de stroomdraad gaat.

Welke grootheid geeft het aantal elektronen per seconde aan?
Met welke letter geven we het aantal elektronen per seconde aan?
Veel elektronen per seconde = veel botsingen = veel warmte

De stroomsterkte met de letter I

Slide 21 - Tekstslide

Vervoer van elektrische energie
Wanneer denk je dat een stroomdraad warmer wordt?
Als er een elektron heel langzaam door de stroomdraad gaat en dus lang in de stroomdraad aanwezig is, of als en een elektron heel snel door de stroomdraad gaat en dus kort in de stroomdraad aanwezig is.

Welke grootheid geeft de snelheid van de elektronen aan?
Met welke letter geven we de snelheid van de elektronen aan?
De snelle elektronen geven iets meer warmte, maar doordat  de warmte over een groot gebied wordt verspreid valt het minder op

De spanning met de letter U

Slide 22 - Tekstslide

Vervoer van elektrische energie
Het vermogen moet hetzelfde blijven en de warmte zo min mogelijk. Waar zou jij voor kiezen:
  1. Grote stroomsterkte en een kleine spanning
  2. Grote spanning en een kleine stroomsterkte
Ik zou voor 2 kiezen (en de andere wetenschappers ook)

Slide 23 - Tekstslide

Vervoer van elektrische energie
De oplossing is Hoogspanning (meer dan 10 000 V).
Dus moeten we de spanning hoger maken, dit noemen we transformeren (veranderen) en hiervoor is een transformator nodig.

Volgende les gaan we hier mee verder.

Slide 24 - Tekstslide

Ga nu verder werken aan: leren voor het tentamen

Slide 25 - Tekstslide