Leerdoelen
✓ Je begrijpt belangrijke opdrachtwoorden.
✓ Je kunt een duidelijke hulpvraag stellen.
✓ Je kunt klachten beschrijven en advies geven.
✓ Je herkent oorzaak en gevolg.
Even opwarmen
Welke woorden uit de NT2-lessen weet je nog?
Noem samen drie schoolwoorden en drie woorden over gezondheid.
Herhaling: schooltaal
BESCHRIJF = vertel hoe iets is.
VERGELIJK = kijk naar wat hetzelfde en anders is.
VERKLAAR = vertel waarom iets gebeurt.
SAMENVATTEN = vertel de belangrijkste informatie kort.
Welk opdrachtwoord past?
Je moet vertellen waarom iemand te laat op school komt.
Beschrijf
Vergelijk
Verklaar
Samenvatten
Wat moet je doen?
In de opdracht staat: “Vergelijk twee sporten.”
Wat schrijf je op?
Herhaling: verschil en overeenkomst
OVEREENKOMST = iets is hetzelfde.
VERSCHIL = iets is niet hetzelfde.
Voorbeeld: een fiets en een scooter hebben allebei wielen. Een scooter heeft een motor.
Wat is een overeenkomst?
De appel is rood.
De banaan is geel.
Ze zijn allebei fruit.
Een banaan is langer.
Wat weet jij nog?
Noem één overeenkomst en één verschil tussen een telefoon en een laptop.
Herhaling: lees de opdracht goed
Lees de hele opdracht.
Zoek het opdrachtwoord.
Bedenk: wat moet ik laten zien in mijn antwoord?
Voorbeeld: “Beschrijf je ochtend.” → Vertel wat je doet.
Welke reactie past bij “Samenvatten”?
Je schrijft alle zinnen over.
Je vertelt alleen de belangrijkste informatie.
Je geeft je mening zonder de tekst te lezen.
Je vergelijkt twee teksten.
Korte tekst, kort antwoord
“Mila fietst elke dag naar school. Bij regen neemt ze de bus. Ze wil graag op tijd komen.”
Vat deze tekst samen in één zin.
Herhaling: hulp vragen
Begrijp je iets niet? Zeg precies wat lastig is.
“Ik begrijp het woord ‘verklaar’ niet.”
“Kunt u de opdracht nog een keer uitleggen?”
“Bedoelt u dat ik twee voorbeelden moet geven?”
Wat is de duidelijkste hulpvraag?
Ik snap niks.
Dit is stom.
Kunt u uitleggen wat ‘vergelijk’ betekent?
Laat maar zitten.
Maak je eigen hulpvraag
Je begrijpt de laatste zin van een opdracht niet.
Welke beleefde en duidelijke vraag stel je aan de docent?
Controleer of je het begrijpt
Na uitleg kun je controleren:
“Dus ik moet twee verschillen noemen, klopt dat?”
“Bedoelt u dat ik mijn antwoord in hele zinnen schrijf?”
Zo voorkom je misverstanden.
Wat doe je na de uitleg?
Je denkt dat je de opdracht begrijpt, maar je twijfelt nog.
Je gokt maar wat.
Je vraagt: “Dus ik moet een voorbeeld geven, klopt dat?”
Je stopt met werken.
Je kopieert het antwoord.
Herhaling: gezondheid
Je zegt:
“Ik heb hoofdpijn.”
“Ik heb keelpijn.”
“Ik heb pijn aan mijn knie.”
“Ik ben misselijk.”
“Ik ben duizelig.”
Welke zin is goed?
Ik ben hoofdpijn.
Ik heb duizelig.
Ik heb pijn aan mijn knie.
Ik ben keelpijn.
Beschrijf je klacht
Je hebt sinds gisteren hoofdpijn. De pijn is erg.
Schrijf twee zinnen. Vertel wat je hebt, sinds wanneer en hoe erg.
Herhaling: oorzaak en gevolg
OORZAAK = waarom gebeurt iets?
GEVOLG = wat gebeurt er?
“Ik heb slecht geslapen. Daarom ben ik moe.”
Oorzaak: ik heb slecht geslapen.
Gevolg: ik ben moe.
Wat is de oorzaak?
“Sara heeft niet ontbeten. Daarom heeft ze honger.”
Sara heeft honger.
Sara is op school.
Sara heeft niet ontbeten.
Sara is moe.
Wat is het gevolg?
“Youssef is zijn jas vergeten. Daarom heeft hij het koud.”
Schrijf het gevolg op.
Geef een passend advies
Een klasgenoot zegt: “Ik ben erg moe.”
Ga nog later slapen.
Drink alleen frisdrank.
Probeer voldoende te slapen en rust te nemen.
Sla je ontbijt over.
Herhaling: advies geven
Een advies helpt iemand verder.
Begin bijvoorbeeld met:
“Je kunt …”
“Het is verstandig om …”
Voorbeeld: “Je kunt wat water drinken en rust nemen.”
Wat zou jij adviseren?
Fatima heeft al een paar dagen klachten en maakt zich zorgen.
Schrijf één passend advies in een hele zin.
Denkvraag: wat is beter?
Een leerling zegt: “Ik begrijp het niet.”
Een andere leerling zegt: “Ik begrijp vraag 3 niet. Wat betekent ‘verklaar’?”
Welke hulpvraag werkt beter? Leg uit waarom.
Challenge: alles bij elkaar
“Noa heeft slecht geslapen en is vandaag duizelig. Ze begrijpt de opdracht ‘verklaar de klacht’ niet.”
1. Wat is de klacht?
2. Wat is de mogelijke oorzaak?
3. Welke hulpvraagkan Noa stellen?
Waar of niet waar?
“Bij vergelijken noem je alleen verschillen.”
Waar
Niet waar
De laatste uitdaging
1. Een zin over een klacht.
2. Een zin over een oorzaak en gevolg.
3. Een zin waarin je om uitleg vraagt.
Wat neem je mee?
Welk opdrachtwoord kun je nu beter uitleggen?
Wat kun je zeggen als je iets niet begrijpt?
Welke nieuwe zin over gezondheid kun je gebruiken?