Hoofdstuk 14-In de sportschool

1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nieuwe lesbewerkerNederlandsBeroepsopleiding

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quiz en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Sportschool

In de sportschool


  • informatie vragen

  • zullen - waarschijnlijkheid

  • futurem

  • uitspraak oe - u - uu




inschrijven

speciaal

conditie

waarschijnlijk

meedoen

gewicht

Opdracht 1

Welke sport zie je? Sleep naar het plaatje.






judo

schoon-springen

gewicht-heffen

honkbal

waterpolo

korfbal

boog-schieten

turnen

boksen

wielrennen

schermen

voetbal






judo

schoon-springen

gewicht-heffen

honkbal

waterpolo

korfbal

boog-schieten

turnen

boksen

wielrennen

schermen

voetbal

Wat hoort bij welk plaatje? Sleep het woord naar het plaatje.

Plaatje 2 heeft 2 goede antwoorden.







Johan Cruijff

Steven Berghuis

Ruud Gullit

honkbal

Arjen Robbe

korfbal

boog-schieten

turnen

Virgil van Dijk

wielrennen

schermen

voetbal

Opdracht 2

Praten over sporten.

Welke plaatjes en sporten horen bij elkaar?

Zoek bij vijf plaatjes de naam van de sport.


Voorbeeld: plaatje 4 en plaatje 8 horen bij elkaar. Het zijn allebei balsporten.

Extra opdracht: hoe heten deze sporten?


sprinten

roeien

badminton

honkbal

handbal

boksen

wielrennen

paardrijden

schermen

voetballen

turnen

gewichtheffen

basketbal / korfbal

vechtsport / judo

vechtsport / ?

schietsport

boogschieten

hardlopen

zeilen

volleybal

zwemmen

tennis

tafeltennis

Opdracht 3

Sporten raden

  • Je krijgt een memosticker op je rug.

  • Op die sticker staat een sport.

  • Welke sport? Dat moet je raden.

  • Iedereen loopt door het lokaal.

  • Je mag maximaal twee vragen aan dezelfde cursist stellen.

  • Deze cursist mag ook twee vragen aan jou stellen.

  • Daarna loop je naar iemand anders, totdat je jouw sport hebt geraden.

  • De ander mag alleen met ja of nee  antwoorden. 

  • Je moet dus ja/nee-vragen stellen.

Voorbeeld

Is het een populaire sport?

Is het een teamsport?

Is het binnen?

Gebruik je een bal?

Is deze sport vaak op tv?

Is het een vechtsport?

Is het een sport in of op het water?

Gebruik je een apparaat?


Opdracht 4

Formuleer de vraag op een andere manier.


Voorbeeld:

Waar is de sportschool?

Kunt u me zeggen || waar de sportschool is?

Kunt u me vertellen || wat het verschil tussen die abonnementen is?

Weet u || waar de sportschool is?



Bedenk een zin of vraag bij de afbeelding. 

Gebruik de gegeven woorden.

Reflexieve werkwoorden herhaling


Opdracht 5

Gebruik: 

Kun je me (misschien) zeggen ....?

Weet je (misschien) (ook?)

kopieerblad 26

Zeggen dat, vragen of | indirecte rede

Soms vertel je wat iemand vraagt of zegt. Deze informatie komt na de woordjes of en dat.





Koen vraagt of Sanne ook op het feest komt.`

Opdracht 6 Een sportschool kiezen

A:

Cursist A: Vraag aan cursist B de informatie die jij nodig hebt. Schrijf deze in jouw schema.

Cursist B: Vraag aan cursist A de informatie die jij nodig hebt. Schrijf deze  in jouw schema. Gebruik: Kun je me zeggen?  / Weet je ?


B: beantwoord de vragen.

C: Welke sportschool kies jij? Waarom?

kopieerblad 27

zullen


opdracht 7


Zal ik spaghetti carbonara maken?



Ik zal spaghetti carbonara maken



Ze zal wel spaghetti carbonara gemaakt hebben.

Voorstel

Belofte

Waarschijnlijkheid

zullen - waarschijnlijkheid


één werkwoord

Ze komt nog. →

Ze zal nog wel komen.

twee werkwoorden

Ze kan het adres wel vinden. → 

Ze zal het adres wel kunnen vinden.

perfectum

Ze heeft te veel gegeten. → 

Ze zal wel te veel gegeten hebben.

Voorstel

Zal ik spaghetti carbonara maken?

Belofte

Ik zal spaghetti carbonara maken

Waarschijnlijkheid

Ze zal wel spaghetti carbonara gemaakt hebben.


1. presens + tijdsaanduiding (standaard)

Je vertelt over een tijd die nog moet komen.

2. werkwoord gaan + infinitief 

3. werkwoord zullen + infinitief 

Je vertelt over een plan of een intentie.

Het gaat bijna zeker gebeuren. Formele context.



Komende zondag werk ik van 10.30 uur tot 14.00 uur.

Volgende week trouwt mijn broer. 

In augustus word ik 50.

Wat doe jij...

morgen?

volgende week?

na de feestdagen?

1. presens + tijdsaanduiding (standaard)

Je vertelt over een tijd die nog moet komen.


2. werkwoord gaan + infinitief 

Mark gaat biologie studeren.

Mijn broer gaat trouwen.

Ik ga mijn 60ste verjaardag vieren.

Je vertelt over een plan of een intentie.

Wat doe jij...

morgen?

volgende week?

na de feestdagen?


3. werkwoord zullen + infinitief 

De voorstelling zal om acht uur precies beginnen. 


Volgend jaar zal mijn broer trouwen.

Ik zal mijn verjaardag vieren.

Het gaat bijna zeker gebeuren. Formele context.

Wat doe jij...

morgen?

volgende week?

na de feestdagen?



Komende zondag werk ik van 10.30 uur tot 14.00 uur.

1. presens + tijdsaanduiding (standaard)

Je vertelt over een tijd die nog moet komen.

2. werkwoord gaan + infinitief 

Mijn broer gaat trouwen.

3. werkwoord zullen + infinitief 

De voorstelling zal om acht uur precies beginnen. 


Je vertelt over een plan of een intentie.

Het gaat bijna zeker gebeuren. Formele context.

Opdracht 8

13.00 uur lunchen met Jack en Hanna

14.00 uur studeren met bibliotheek

16.00 uur boodschappen doen

13.30 koken voor Sabine en Karin



Maak opdracht 10 en 11

Dialoog met verplichte zinnen.  Luister goed! 

Medewerker sportschool

• Hallo, wat kan ik voor u doen?

• Wat voor abonnement wil je?

• Een maandabonnement kun je opzeggen.

• We hebben op dit moment een speciale aanbieding.

• Op onze website vind je een rooster met alle groepslessen.


Je moet meer zinnen gebruiken.


Nieuwe klant

  • Ik wil graag lid worden. Kan dat?

• Wat is het verschil tussen de abonnementen?

• Ik wil graag een ……. abonnement.

• Ik wil graag krachttraining doen en groepslessen volgen.

• Waar kan ik me omkleden?

• Wanneer kan ik beginnen?


uitspraak oe - u - uu


Welke klank hoor je?

opdracht 12 en 13

Samengestelde woorden