Vraagzinnen en vraagwoorden

Welkom

  • Jas uit, capuchon af
  • Telefoon in de tas
  • Neem een laptop
    (GEEN koptelefoon)
  • Ga rustig zitten
  • Log in op de laptop
  • Praat zachtjes met je buur

1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Welkom

  • Jas uit, capuchon af
  • Telefoon in de tas
  • Neem een laptop
    (GEEN koptelefoon)
  • Ga rustig zitten
  • Log in op de laptop
  • Praat zachtjes met je buur

Slide 1 - Tekstslide

Startklaar:
  • Kom op tijd                 en ga rustig op je plek zitten.

  •                   Telefoon in je tas.

  • Jas uit, kauwgom uit, pet of capuchon af.


  • Schoolspullen op tafel:                         laptop,                  etui. 

Slide 2 - Tekstslide

Afspraken:
  • Wees respectvol. 


  • Luister naar de docent en naar elkaar.


  • Steek je hand op als je iets wil vragen of zeggen. 

Slide 3 - Tekstslide

Overzicht van de les
  • Wie is er wel en wie niet?
  • Hoe is het met je?
  • Lesdoel
  • Vraagwoorden herhalen en vraagzinnen maken
    (Uitleg, quiz, spelletje)
  • Aan de slag (werkbladen)
  • Afsluiting

Slide 4 - Tekstslide


Hoe zit jij er nu bij?

Slide 5 - Poll

Verwachtingen

Tijdens de les:
  • Luister je stil mee tijdens de instructie;
  • Werken we rustig alleen of samen;
  • Doe je actief mee;
  • Ben je verantwoordelijk voor je eigen gedrag;
  • Mag je altijd om hulp vragen als het even niet lukt.

Slide 6 - Tekstslide

Lesdoel
Ik kan:
  • Vraagwoorden gebruiken.
  • Een vraagzin maken van een gewone zin.

Ik weet:
  • Een vraag te herkennen.
  • De volgorde van woorden in een vraagzin. 


Slide 7 - Tekstslide

Vragen en vraagwoorden
Wat weten jullie nog?

Slide 8 - Tekstslide

Vragen maken
Een vraag is een zin met op het einde een ?

Een vraagzin begint met een vraagwoord
Er zijn 8 vraagwoorden. 

Wie  Wat  Waar  Hoe  Wanneer  Waarom  Hoeveel Welke
1
2
3
4
5
6
7
8

Slide 9 - Tekstslide

_______ is moe na de gymles?
A
Wie
B
Wat
C
Wanneer
D
Hoe

Slide 10 - Quizvraag

_____ doe je? Ik lees een boek.
A
Wie
B
Wat
C
Hoe
D
Wanneer

Slide 11 - Quizvraag

_________ heb je weekend?
Op zaterdag en zondag.
A
Waar
B
Wanneer
C
Waarom
D
Hoe

Slide 12 - Quizvraag

_________ is de ISK school?
In Dordrecht.
A
Wie
B
Wanneer
C
Waarom
D
Waar

Slide 13 - Quizvraag

_______ ga jij naar school?
Ik wil Nederlands leren.
A
Wie
B
Hoe
C
Waarom
D
Waar

Slide 14 - Quizvraag

___________ hebben wij de toets? Maandag.
A
Waar
B
Wanneer
C
Waarom
D
Hoe

Slide 15 - Quizvraag

Wordwall spelletjes
Klik op de link en maak de oefeningen.

timer
5:00

Slide 16 - Tekstslide

Vraagzinnen maken van een gewone zin....

Slide 17 - Tekstslide

Gewone zinnen:
Wie/Wat
Werkwoord
Rest
Jullie
willen
thee.
Hij
loopt
altijd naar school.
Jij
gaat
boodschappen doen.

Slide 18 - Tekstslide

Vraagzinnen






Welke 3 dingen zijn er veranderd?
Werkwoord
Wie/wat
Rest
Willen
jullie
thee?
Loopt
hij
altijd naar school?
Ga
jij
boodschappen doen?

Slide 19 - Tekstslide

Let op!!!!!!!!!!!!!!
Vraagzin met jij? 
T moet WEG


Jij loopt naar school.  Loop jij naar school?
Jij gaat naar de zee. Ga jij naar de zee?

Slide 20 - Tekstslide

Maak een vraag van deze zin:
Jullie leren Nederlands.

Slide 21 - Open vraag

Maak een vraag van deze zin:
Jij loopt naar school.

Slide 22 - Open vraag

Maak een vraag van deze zin:
Jij bent 12 jaar oud.

Slide 23 - Open vraag

Maak een vraag van deze zin:
Hij schrijft een zin.

Slide 24 - Open vraag

Aan de slag 
Maak de oefeningen van Klare Taal Les 13
  1. Wat vraagt u?
  2. Maak een vraag met het ww uit de zin.
  3. Wat zegt u? Gebruik JE.
  4. Maak een vraag met WIE of WAT.

Vragen stellen kan als ik bij je langskom! Zachtjes werken!

Slide 25 - Tekstslide

Controle

  1. Wat vraagt u? => Aan het eind staat een vraagteken (?)
    Wie is die jongen? NIET: Wie jongen is die?
  2. Maak een vraag. => Het werkwoord staat na het vraagwoord.
    Wanneer zijn de foto's klaar? NIET: Wanneer de foto's klaar zijn?
  3. Gebruik JE.
    Wat ga je doen vanavond? NIET: Wat gaat doen hij vanavond?
  4. Maak een vraag met WIE of WAT. Iets: Wat wil je? NIET: Wie?

Slide 26 - Tekstslide

Na een vraagzin komt een antwoordzin....

Slide 27 - Tekstslide

Antwoorden met ja of nee
Begint de vraagzin met een werkwoord? 
Dan kan je JA of NEE antwoorden.


Ga je mee naar de stad?  Ja, ik ga mee.
Koop je ook nieuwe schoenen? Nee, ik heb geen geld.

Slide 28 - Tekstslide

Antwoorden na vraagwoord
Begint de vraagzin met een vraagwoord? 
Dan kan je NIET JA of NEE antwoorden.
Wanneer? (tijd) Waar? (plaats) Wie? (personen)
Wat? (dingen) Waarom? (reden) Hoe? (manier)

Waar ga je heen? Ik ga naar de stad.
Wanneer is het vakantie? Over 3 weken.

Slide 29 - Tekstslide

Aan de slag
Maak de oefeningen van Klare Taal Les 15
  1. Maak een vraag van de zin
  2. Is het antwoord goed of fout?
  3. Geef antwoord op de vraag met: Ja, ...
  4. Wat vraagt u, als u wil weten of... 
  5. U leest het antwoord. Wat was de vraag?


Slide 30 - Tekstslide

Aan de slag
Maak de oefeningen van je werkbladen.

Vragen stellen kan als ik bij je langskom! Zachtjes werken!

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

Afsluiting
Dit kan ik al goed / Dit moet ik nog oefenen
  • de instructie 2x lezen
  • de oefening correct verwerken
  • mijn antwoorden nakijken

Hoe ging het? 




Slide 33 - Tekstslide